Citaat | Parket bij de Hoge Raad 17 december 2010
Alinea 118 Parket bij de Hoge Raad 17 december 2010
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 17 december 2010, ECLI:NL:PHR:2010:BO7489.
4.19. Het verklaarde doel van de wetgever met de openstelling van bezwaar en beroep tegen standaardvoorwaarden-beschikkingen was verbetering van de rechtsbescherming. Onverenigbaar daarmee lijkt dus verslechtering van de rechtsbescherming. Zoals boven (4.1 - 4.4) bleek, doen de ratio's voor de leer van de formele rechtskracht zich in gevallen als het litigieuze bovendien maar zeer beperkt gevoelen (de bevoegdheidsverdeling tussen de burgerlijke en de bestuursrechter, het gevaar van tegenstrijdige uitspraken en de rechtszekerheid voor derden-belanghebbenden zijn in zaken als de litigieuze niet aan de orde). De aanleiding voor het invoeren van bezwaar en beroep was voorts niet in de laatste plaats dat destijds geen rechtsbescherming bestond tegen een afwijzing van een verzoek of een weigering om te beschikken.(46) De - in beide Kamers van de volksvertegenwoordiging kritisch ontvangen - opvatting van de regering dat in een procedure tegen een aanslag de bij niet-aangevochten beschikking gestelde standaardvoorwaarden niet meer ter discussie kunnen worden gesteld, moet daarom mijns inziens zo beperkt mogelijk worden uitgelegd. Met name in verband met het verklaarde doel van verbetering van de rechtsbescherming moet de boven geciteerde parlementaire behandeling mijns inziens aldus worden uitgelegd dat ondanks het niet-aangevochten zijn van de beschikking toch bezwaar en beroep mogelijk is tegen (toepassing van) de voorwaarden bij latere aanslagoplegging indien de belanghebbende daarzonder geen reële toegang tot de rechter heeft (gehad). Deze benadering kan steunen op de wettelijke grondslag van art. 6:11 Awb en op de rechtsbeginselen van de Rewe/Comet- en Emmott-leer(47) (effectiviteit van rechtsbescherming) van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU). Degene die niet de reële mogelijkheid had de later door hem aangevoerde gronden voor onverbindendheid van de voorwaarde reeds aan te voeren binnen de bezwaartermijn ter zake van de beschikking, kan redelijkerwijs niet geacht worden in verzuim te zijn geweest. Weliswaar is de techniek iets anders dan in art. 6:11 Awb voorzien (er wordt niet alsnog bezwaar en beroep ontvangen tegen de beschikking, maar de later opkomende grieven tegen de beschikking worden geïncorporeerd in het bezwaar en beroep tegen de aanslag), maar dat lijkt mij geen bezwaar. Desgewenst kan trouwens het bezwaar en beroep tegen de aanslag door de rechter opgevat worden als mede gericht tegen de eerdere beschikking. Beslissend is dus of de belanghebbende binnen de bezwaartermijn ter zake van de beschikking al dan niet de reële mogelijkheid had de thans door haar aangevoerde bezwaren aan te voeren. Zoals het HvJ EU het uitdrukt: toegang tot de rechter behoort niet uiterst bezwaarlijk of nagenoeg onmogelijk te zijn.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ea4e4e9f7112476076c4f0717e7476dc97890cd3b84101440f4d96d181ba400b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ea4e4e9f7112476076c4f0717e7476dc97890cd3b84101440f4d96d181ba400b, en de alinea staat in dat document op bytes 60339 tot 63139.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/ea4e4e9f7112476076c4f0717e7476dc97890cd3b84101440f4d96d181ba400b | shasum -a 256