Citaat | Parket bij de Hoge Raad 17 december 2010

Alinea 133 Parket bij de Hoge Raad 17 december 2010

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 17 december 2010, ECLI:NL:PHR:2010:BO7489.

"Naar mijn mening had de Hoge Raad, nu hij de aanvaardingsclausule toelaatbaar acht, aandacht moeten schenken aan de gevolgen hiervan voor de rechtsbescherming van de belastingplichtige die twijfelt aan de rechtsgeldigheid van één of meer aan hem opgelegde voorwaarden doch die, gelet op het oordeel van de Hoge Raad, wél verplicht is hem onwelgevallige (standaard)voorwaarden te aanvaarden. Over dit punt zwijgt de Hoge Raad in alle talen zodat de vrees zou kunnen postvatten, mede in het licht van het hiervoor genoemde arrest HR BNB 2002/135, dat de aanvaardingsclausule tot gevolg heeft dat een belanghebbende, onder het huidige recht is dat de BV, niet meer het recht zou hebben aan de rechter de vraag voor te leggen of het opleggen van een bepaalde (standaard)voorwaarde wel rechtens is. Weliswaar kan uit het hiervoor genoemde arrest worden afgeleid dat een belanghebbende door het maken van een voorbehoud bij de aanvaarding van één of meer voorwaarden voor zichzelf de mogelijkheid van zo'n rechterlijke toetsing kan creëren doch ik acht zulks minder bevredigend. Een betere oplossing zou zijn dat een belanghebbende ook na aanvaarding de rechtsgeldigheid van de aan hem opgelegde voorwaarden door de rechter kan laten toetsen. Naar mijn mening mag, gelet op HR 7 november 2003, V-N 2003/58.15, worden verwacht dat de Hoge Raad ook na aanvaarding belanghebbende in de gelegenheid zal stellen de rechtsgeldigheid van een aan hem opgelegde voorwaarde door de rechter te laten toetsen. In laatstgenoemd arrest overweegt de Hoge Raad met betrekking tot een in het kader van art. 15 Wet Vpb (oud) gestelde voorwaarde: 'De toepassing van een zodanige voorwaarde dient eveneens te geschieden met inachtneming van voormeld doel, en mag ook overigens niet in strijd komen met een wettelijke regeling noch met een ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel.' In dat verband refereert de Hoge Raad ook aan art. 3:4, tweede lid, Awb dat een evenredige belangenafweging stipuleert. Het onverkort vasthouden door de belastingdienst aan de aanvaarding, zonder voorbehoud, door een belanghebbende van de aan hem opgelegde standaardvoorwaarden ook in het geval die belanghebbende de vraag over de rechtsgeldigheid van een aan hem opgelegde voorwaarde aan de onafhankelijke rechter wenst voor te leggen, is strijdig met het beginsel van de evenredige belangenafweging. De hiervoor geuite vrees is naar mijn mening niet op zijn plaats doch het had de Hoge Raad gesierd indien hij aan dit punt aandacht had geschonken."

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ea4e4e9f7112476076c4f0717e7476dc97890cd3b84101440f4d96d181ba400b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ea4e4e9f7112476076c4f0717e7476dc97890cd3b84101440f4d96d181ba400b, en de alinea staat in dat document op bytes 73063 tot 75600.