Citaat | Parket bij de Hoge Raad 17 december 2010

Alinea 59 Parket bij de Hoge Raad 17 december 2010

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 17 december 2010, ECLI:NL:PHR:2010:BO7489.

4.5. Hoewel zulks niet rechtstreeks uit de wettekst volgt (zie 3.6), gaat de fiscale literatuur(13) er in het algemeen inderdaad van uit dat indien een voor bezwaar vatbare beschikking onherroepelijk vaststaat, de juistheid ervan in beginsel niet meer ter discussie kan worden gesteld bij bezwaar en beroep tegen een aanslag voor zover die terug te voeren is op aangelegenheden waaromtrent bij die beschikking beschikt is. Dat geldt niet alleen voor standaardvoorwaarden-beschikkingen. Er zijn meer beschikkingen die niet direct tot een betalingsplicht leiden. Feteris(14) noemt beschikkingen tot vaststelling van een grootheid die later aanleiding kan geven tot discussie (zo bijvoorbeeld art. 22 Wet WOZ, art. 4.36 Wet IB 2001, art. 3.151 en 4.50 Wet IB 2001 en art. 20b Wet Vpb 1969), beschikkingen tot vastlegging van de juridische kwalificatie van feiten (zo bijvoorbeeld art. 7(4) Wet OB 1968 en art. 3.55(7) Wet IB 2001) of tot verlening van een fiscale faciliteit die slechts op verzoek van de belastingplichtige wordt toegepast (zo bijvoorbeeld art. 3.65 Wet IB 2001 en art. 14 Wet Vpb 1969). Er zijn ook voor bezwaar vatbare beschikkingen waarbij een bedrag wordt vastgesteld dat door of aan de Belastingdienst moet worden betaald (zo bijvoorbeeld art. 33 Wet OB 1968, art. 3.152 en 4.51 Wet IB 2001 en art. 30j en 67g AWR).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ea4e4e9f7112476076c4f0717e7476dc97890cd3b84101440f4d96d181ba400b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ea4e4e9f7112476076c4f0717e7476dc97890cd3b84101440f4d96d181ba400b, en de alinea staat in dat document op bytes 25028 tot 26375.