Citaat | Parket bij de Hoge Raad 17 december 2010

Alinea 88 Parket bij de Hoge Raad 17 december 2010

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 17 december 2010, ECLI:NL:PHR:2010:BO7489.

"De leden van de CDA-fractie gaan nog eens in op de materiële fusie-eis, in relatie tot het zogenoemde Emmott-arrest (C 208/92). De opvatting dat het onbenut laten van de beroepsmogelijkheid leidt tot rechtsverwerking, doet - aldus deze leden - te kort aan het in ons stelsel verankerde beginsel van rechtsbescherming. Zij zijn van mening dat een belastingplichtige -ondanks eerdere acceptatie - een (standaard)voorwaarde te allen tijde moet kunnen laten toetsen aan de richtlijn, daar veelal de consequentie van het accepteren van deze voorwaarde pas in een veel later stadium aan het licht zal komen. Met deze leden wil ik hier twee situaties van elkaar onderscheiden. In het eerste geval is er een verschil van mening met betrekking tot de opgelegde voorwaarden. Het gaat dus om de vraag of deze wel of niet in strijd zijn met de richtlijn. De belastingplichtige heeft de mogelijkheid om vooraf zekerheid verkrijgen. De strijdigheid met de richtlijn is er direct en ontstaat niet door het tijdsverloop. Is de belastingplichtige van mening dat de voorwaarden in strijd zijn met de richtlijnbepalingen, dan heeft hij de mogelijkheid dit in de beroepsfase ten overstaan van de belastingrechter kenbaar te maken. De belastingrechter kan vervolgens door middel van het stellen van een prejudiciële vraag de zaak aan het Europese Hof voorleggen. Ingeval de belastingplichtige geen gebruik maakt van de mogelijkheid om tegen de uitspraak in beroep te gaan, ben ik van mening dat het hem, juist omdat in een volledige rechtsgang is voorzien, niet is toegestaan bij een latere gelegenheid de wijze van verwerking van de richtlijn te zijnen aanzien tegenover de fiscale rechter aan de orde te stellen. Anders dan deze leden voel ik dat niet als een tekort doen aan het in ons stelsel verankerde systeem van rechtsbescherming. De tweede door deze leden geschetste situatie is van een geheel andere aard. Een aanvankelijk door de belastingplichtige positief beoordeelde voorwaarde blijkt in een later stadium minder gunstig uit te werken dan aanvankelijk werd gemeend. Dit zal zich in concreto slechts in weinig gevallen voordoen, omdat een aantal voorwaarden uitsluitend zal werken op het tijdstip van de fusie en niet daarna. Ik kan mij niet vinden in de suggestie van deze leden dat ook in dat latere stadium een rechterlijke toetsing gewenst is. Deze leden zullen met mij van mening zijn dat het niet de bedoeling is de belastingplichtige te laten spelen in een "loterij zonder nieten". Uiteraard is het zo dat belastingplichtigen niet gehouden zullen worden aan voorwaarden die zij wel - al dan niet na het voorleggen aan de rechter - hebben aanvaard, indien deze voorwaarden door de voortschrijdende rechtsontwikkeling als achterhaald worden beschouwd."

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ea4e4e9f7112476076c4f0717e7476dc97890cd3b84101440f4d96d181ba400b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ea4e4e9f7112476076c4f0717e7476dc97890cd3b84101440f4d96d181ba400b, en de alinea staat in dat document op bytes 41152 tot 43917.