Citaat | Parket bij de Hoge Raad 21 januari 2011

Alinea 162 Parket bij de Hoge Raad 21 januari 2011

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 21 januari 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BL0202.

7.6 De stelling van belanghebbende dat de meldingsregeling van artikel 36, vierde lid Invorderingswet in strijd is met artikel 21, derde lid Zesde richtlijn, roept eerst de vraag op of artikel 36 Invorderingswet wel binnen de werkingssfeer van de Zesde richtlijn valt. Voorop staat dat de formulering van artikel 21, derde lid Zesde richtlijn zeer ruim is. De lidstaten kunnen bepalen dat 'een andere persoon dan degene die tot voldoening van de belasting is gehouden', hoofdelijk verplicht wordt de belasting te voldoen. Onder die 'andere persoon' kan letterlijk opgevat ook de bestuurder van een in gebreke blijvend lichaam in de zin van artikel 36 Invorderingswet worden begrepen. Daarnaast wijzen r.o. 28 en 29 van het HvJ EG in de zaak Federation of Technological Industries e.a. erop dat de bevoegdheden die de lidstaten ontlenen aan artikel 21, derde lid Zesde richtlijn om andere personen hoofdelijk aansprakelijk te stellen, moeten worden uitgeoefend met eerbiediging van het evenredigheidsbeginsel. Desalniettemin houd ik twijfel over de vraag of artikel 36 Invorderingswet binnen de reikwijdte van artikel 21, derde lid Zesde richtlijn valt. Zoals A-G Maduro heeft opgemerkt (zie onderdeel 6.3), dient onderscheid gemaakt te worden tussen het bepalen van de persoon die de BTW dient te voldoen en de maatregelen die enkel de invordering van BTW betreffen. Op de laatste categorie maatregelen heeft geen enkele bepaling van de Zesde richtlijn betrekking, aldus r.o. 27 van de Beschikking van het HvJ EG van 3 maart 2004, C-395/02, V-N 2004/18.18 (Transport Service). Het HvJ EG heeft in de zaak Federation of Technological Industries e.a. in r.o. 24 overwogen dat een bepaling waarin regels zijn neergelegd ingevolge waarvan een belastingplichtige (de afnemer) hoofdelijk kan worden verplicht tot voldoening van door een andere belastingplichtige (de leverancier) verschuldigde omzetbelasting, in ieder geval geen betrekking heeft op de inning cq. invordering. Ik acht dit oordeel begrijpelijk. De bepaling leidt er immers toe dat de ene belastingplichtige hoofdelijk kan worden verplicht tot voldoening van de schuld van de andere belastingplichtige. Niet vanzelfsprekend acht ik dat een niet-belastingplichtige bestuurder (een niet-ondernemer, een persoon buiten de handelsketen) aansprakelijk wordt gesteld voor de omzetbelastingschuld van het lichaam waarvan hij bestuurder is. Verdedigbaar is de stelling dat deze aansprakelijkstelling zich niet afspeelt in de sfeer van de heffing van omzetbelasting; het betreft de invordering van omzetbelasting. Artikel 21, derde lid Zesde richtlijn komt dan niet in beeld. Het is daarom denkbaar dat de Hoge Raad een prejudiciële beslissing op de voet van artikel 234 van het EU Verdrag vraagt aan het HvJ EG. Deze vraag zou kunnen luiden: heeft artikel 21, derde lid Zesde richtlijn ook betrekking op een bepaling, zoals neergelegd in artikel 36 Invorderingswet, op grond waarvan een ander persoon dan een ondernemer hoofdelijk aansprakelijk is voor de voldoening van de omzetbelastingschuld van een belastingplichtige. Zelf acht ik het echter onnodig om een dergelijke prejudiciële vraag te stellen, omdat er geen grond is te vinden in de Zesde richtlijn om onderscheid te maken tussen aansprakelijkstellingen van ondernemers en aansprakelijkstellingen van niet-ondernemers en om alleen op de eerstbedoelde aansprakelijkstellingen communautair recht van toepassing te achten.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/135f25228db2a653ff42f8256825b3e429189fce15bf92858ee5832b9c3ff3d2. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 135f25228db2a653ff42f8256825b3e429189fce15bf92858ee5832b9c3ff3d2, en de alinea staat in dat document op bytes 67473 tot 70918.