Citaat | Parket bij de Hoge Raad 24 juni 2011

Alinea 175 Parket bij de Hoge Raad 24 juni 2011

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 24 juni 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BN3537.

7.10. Alvorens te bezien of dit verschil in voegbaarheid tussen binnenlandse en buitenlandse dochters EU-rechtelijk gerechtvaardigd is, ware eerst te onderzoeken of de belanghebbende überhaupt enig nut zou hebben van resultaatsconsolidatie met buitenlandse winstdochters. Als dat niet het geval is, betreft de hele discussie immers slechts des keizers baard. Ik meen dat als er al een belang is, dit erg ver gezocht moet worden en dat een dergelijk belang niet gesteld is door de belanghebbende en ook niet aannemelijk is in haar geval. Ik werk dat uit. Een grensoverschrijdende voeging met niet-onderworpen winstdochters leidt tot import van belaste winst. Die winst is in Nederland vrijgesteld omdat zij - er is immers gevoegd - behandeld wordt als vaste-inrichtingswinst. De belanghebbende zou dus weliswaar haar verliezen horizontaal kunnen afzetten tegen de geïmporteerde dochterwinsten, maar verliescompensatie met vrijgestelde winst levert geen verbetering van de fiscale positie op. De situatie blijft wezenlijk dezelfde als vóór het Bosal-arrest: art. 13(1) (oud) Wet Vpb. zette immers eveneens wezenlijk de deelnemingskosten af tegen de vrijgestelde deelnemingswinsten. Als de belanghebbende een surplus heeft aan geconsolideerde buitenlandse dochterwinst boven deelnemingskosten, wordt daarvoor voorkoming van dubbele belasting verleend, hetgeen evenmin enige invloed op haar fiscale positie heeft in vergelijking met niet-voeging. Eén voordeel van grensoverschrijdende voeging is echter denkbaar: voor de buitenlandse dochterwinsten die horizontaal weggestreept worden tegen de deelnemingskosten van de belanghebbende blijft ex art. 34 van het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001(33) (doorschuifregeling) recht op voorkoming van dubbele belasting bestaan in volgende jaren als in die jaren de geconsolideerde winst (het noemerinkomen) groter is dan de buitenlandse winst. Zolang de belanghebbende slechts deelnemingskosten maakt, wordt dat noemerinkomen echter niet groter dan de buitenlandse winst. Door voeging van haar buitenlandse operationele dochters heeft de belanghebbende de houdsterstatus ex art. 20(4) Wet Vpb verloren, waardoor de horizontale verrekening van haar verliezen niet meer beperkt is tot houdsterwinsten. Zij zou dus, naast de buitenlandse-dochterwinsten, andere binnenlandse winstgevende activiteiten kunnen bijmengen en de belastingheffing daarover voorkomen met behulp van de gestalde aanspraak op voorkoming van dubbele belasting. Maar dat zou zij even zeer kunnen doen zónder voeging van haar buitenslands onderworpen dochters. Als zij naast haar houdsterschap ook een succesvolle pianofabriek zou beginnen, zou zij even zeer haar houdsterkosten kunnen compenseren met de netto-pianowinsten. Ik zie dus nauwelijks een belang bij grensoverschrijdende voeging van buitenslands onderworpen winstdochters. In elk geval heeft de belanghebbende niet een dergelijk belang geconcretiseerd en het is niet aan de rechter, zeker niet de cassatierechter om te proberen zo'n belang te bedenken. Ik merk overigens op dat als er wél zo'n belang is, dat een belang is bij jurisidctionele mismatch van kosten en winsten, nl. bij aftrek van kosten die dienstig zijn aan vrijgestelde buitenlandse winst ten laste van daarmee niets van doen hebbende belastbare Nederlandse grondslag, hetgeen mij in strijd lijkt met de evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/df468ce297e88a2faf65c9ad4acd419f8016b21b93853da8cb133891e184fdfc. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt df468ce297e88a2faf65c9ad4acd419f8016b21b93853da8cb133891e184fdfc, en de alinea staat in dat document op bytes 76000 tot 79415.