Citaat | Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2011
Alinea 41 Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2011
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BO0389.
4.3. Uit het vorengaande volgt dat eiser bij het sluiten van de kredietovereenkomst regresvorderingen jegens zijn medeschuldenaren verkreeg onder de opschortende voorwaarde dat de schuld ten laste van eiser wordt gedelgd voor meer dan het gedeelte dat hem aangaat. De opvatting van verweerder dat de regresvorderingen op de medeschuldenaren eerst ontstaan op het moment waarop de schuld wordt gedelgd, vindt geen steun in het recht. De voorwaardelijke regresvorderingen die eiser had op B BV en A Beheer BV behoorden ingevolge artikel 3.92, eerste lid en tweede lid en onderdeel a, ten eerste, van de Wet IB 2001, tot het werkzaamheidsvermogen van eiser. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat tussen partijen niet in geschil is dat de vorderingen een bron van inkomen kunnen zijn, bij welke gemeenschappelijke opvatting van partijen de rechtbank zich aansluit. De voorwaardelijke regresvorderingen die eiser had op D en C BV kunnen op grond van het bepaalde in § 3.4.1 van de Wet IB 2001 niet tot het werkzaamheidsvermogen van eiser worden gerekend.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/9dee686c76694ea136abf66cad769b8ad7e67965b4532beab17504bd50823b3b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 9dee686c76694ea136abf66cad769b8ad7e67965b4532beab17504bd50823b3b, en de alinea staat in dat document op bytes 11237 tot 12308.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/9dee686c76694ea136abf66cad769b8ad7e67965b4532beab17504bd50823b3b | shasum -a 256