Citaat | Parket bij de Hoge Raad 24 mei 2011
Alinea 47 Parket bij de Hoge Raad 24 mei 2011
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 24 mei 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BO1587.
25. Indien ten aanzien van een verdachte het ernstige vermoeden bestaat dat hij behoort tot de categorie van personen als bedoeld in art. 33 Wet GBA in verbinding met art. 55 Besluit GBA, kan de onbekendheid van een feitelijke woon- of verblijfplaats niet zomaar worden aangenomen. Het Openbaar Ministerie dient bij een dergelijk vermoeden in een toegankelijk registratiesysteem te onderzoeken of die verdachte verblijft in een opvangcentrum als bedoeld in lid 3 van genoemd art. 55 (een door het Rijk beschikbaar gestelde accommodatie die uitsluitend bestemd is voor het bieden van tijdelijke opvang aan vreemdelingen). Vreemdelingen die geen toelating hebben tot Nederland en in een dergelijk opvangcentrum verblijven, kunnen immers gedurende de eerste zes maanden van hun verblijf in Nederland niet in aanmerking komen voor inschrijving in de GBA. Indien bij dat onderzoek een verblijfplaats in een opvangcentrum aan het licht komt, moet die worden aangemerkt als de feitelijke woon- of verblijfplaats van de verdachte (HR 12 maart 2002, LJN AD5163, NJ 2002, 317, rov. 3.24).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/23d587eaa73a094fd1331eac6cc7345bcb75b3ba8802679a7ba41dad1f2485d2. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 23d587eaa73a094fd1331eac6cc7345bcb75b3ba8802679a7ba41dad1f2485d2, en de alinea staat in dat document op bytes 20975 tot 22066.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/23d587eaa73a094fd1331eac6cc7345bcb75b3ba8802679a7ba41dad1f2485d2 | shasum -a 256