Citaat | Parket bij de Hoge Raad 26 april 2011

Alinea 22 Parket bij de Hoge Raad 26 april 2011

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 26 april 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BO1633.

11. Alvorens dit middel te bespreken, wil ik de volgende twee inleidende opmerkingen niet achterwege laten. Zo zou ten eerste kunnen worden betoogd dat de eerste klacht feitelijke grondslag mist, nu art. 450 Sv - anders dan de steller van het middel suggereert - niet op vertegenwoordiging in een raadkamerprocedure ziet en uit dat artikel niet kan worden afgeleid dat klagers zich in de raadkamerprocedure door een daartoe (bepaaldelijk) gemachtigde konden laten vertegenwoordigen, terwijl de verwijzing naar art. 24, derde lid, Sv een misslag vormt en in plaats daarvan art. 23, derde lid, Sv bedoeld zal zijn. Ten tweede wijs ik (nog steeds met betrekking tot de eerste klacht) er vooraf op dat in het 'proces-verbaal behandeling raadkamer' niet méér staat dan: "De rechter staat niet toe dat een zoon van [klager 1] in raadkamer het woord voert. Immers is hij geen belanghebbende". (Zie nader hieronder in punt 13). Wie deze zoon is, in welke hoedanigheid hij het woord wilde voeren en of hij daarbij zijn ouders ([klager 1] en [klaagster 2]) en zus ([klaagster 3]) wilde vertegenwoordigen, maakt dit proces-verbaal, hier aan te merken als de exclusieve kenbron, niet bekend. Ook om die reden zou het standpunt kunnen worden betrokken dat het middel iets aan de orde stelt waarvan voornoemd proces-verbaal noch de beschikking blijk geeft. Wat valt er in dit verband dan nog te bespreken? Met de kennelijke verwijzing naar art. 23, derde lid, Sv heeft de steller van het middel waarschijnlijk het verlenen van bijstand door die zoon op het oog. Dan zou het moeten gaan om bijstand van de op het onderzoek in openbare raadkamer aanwezige [klager 1]. In de toelichting op dit middel wordt gerept van [betrokkene 2](5) die destijds zou zijn voorzien van "een feitelijk geschreven volmacht" van de hand van [klager 1], [klaagster 2] en (zo begrijp ik maar) [klaagster 3] en die ter gelegenheid van de zitting (mede) het woord namens hen wenste te voeren.(6) Deze [betrokkene 2] zou dan de door de rechtbank bedoelde zoon zijn.(7) Tevens kan uit de toelichting worden opgemaakt dat het de steller van het middel uiteindelijk te doen is om de klacht dat klagers zich niet hebben mogen doen vertegenwoordigen door de, in de toelichting opgevoerde, bijzonder gevolmachtigde [betrokkene 2]. Alsdan zou het gaan om vertegenwoordiging van de niet verschenen klagers [klaagster 2] en [klaagster 3]. Dat zou tot slot betekenen dat [betrokkene 2] maar liefst een dubbele rol zou hebben te vervullen: bijstandverlener van zijn ter zitting aanwezige vader, en vertegenwoordiger van zijn bij die gelegenheid afwezige moeder en zus.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ddaa9c578f7d455d718555e7075ee46e34d612ae73d3de3024d1dec08c2ba7d5. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ddaa9c578f7d455d718555e7075ee46e34d612ae73d3de3024d1dec08c2ba7d5, en de alinea staat in dat document op bytes 10991 tot 13624.