Citaat | Parket bij de Hoge Raad 14 januari 2011

Alinea 34 Parket bij de Hoge Raad 14 januari 2011

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 14 januari 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BO3521.

[Verweerder 1] heeft met betrekking tot zijn stelling dat hij te goeder trouw was ten aanzien van de beschikkingsbevoegdheid van [betrokkene 2], aangevoerd dat [betrokkene 2] - zoals veel kunsthandelaren - wel vaker als intermediair schilderijen onder eigen naam verkocht, en voorts dat hij ([verweerder 1]) in het verleden regelmatig met [betrokkene 2] had gehandeld, dat hij daaruit niet kon opmaken dat [betrokkene 2] niet te vertrouwen was, dat hem van een naderend faillissement van [betrokkene 2] niets bekend was en dat hem ook overigens op 1 oktober 2002 geen omstandigheden bekend waren of hadden moeten zijn die de conclusie rechtvaardigen dat hij had moeten twijfelen aan de beschikkingsbevoegdheid van [betrokkene 2]. Naar het oordeel van het hof heeft [verweerder 1] hiermee voldoende omstandigheden aangevoerd die rechtvaardigen dat hij [betrokkene 2] voor bevoegd mocht houden en die uitsluiten dat hij reden had om aan die bevoegdheid te twijfelen. Derhalve rust de bewijslast van de onjuistheid van deze stelling op [eiser] c.s. (rov. 4.8.3 en 4.8.4)

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c290a03642b1d18bb1957d5a0b2f5732cecf89060286b3ce6133356e98db897c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c290a03642b1d18bb1957d5a0b2f5732cecf89060286b3ce6133356e98db897c, en de alinea staat in dat document op bytes 14552 tot 15632.