Citaat | Parket bij de Hoge Raad 14 januari 2011

Alinea 72 Parket bij de Hoge Raad 14 januari 2011

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 14 januari 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BO3521.

17. Bij de beoordeling van dit middelonderdeel moet het volgende worden vooropgesteld. Art. 3:86 lid 1 BW biedt de verkrijger van een roerende zaak bescherming tegen de beschikkingsonbevoegheid van de vervreemder mits is voldaan aan de in deze bepaling genoemde vereisten, waaronder het vereiste dat de verkrijger te goeder trouw was ten tijde van de levering van de roerende zaak. Goede trouw ontbreekt - ingevolge art. 3:11 BW - niet alleen wanneer de verkrijger wist dat de vervreemder niet bevoegd was om over het goed te beschikken, maar ook wanneer hij in de gegeven omstandigheden behoorde te weten dat de vervreemder niet beschikkingsbevoegd was. Daarbij belet de onmogelijkheid van onderzoek naar de beschikkingsbevoegdheid van de vervreemder - ingevolge de tweede zin van art. 3:11 BW - niet dat de verkrijger die goede reden had tot twijfel, wordt aangemerkt als iemand die de beschikkingsonbevoegdheid behoorde te kennen. Zie Asser-Mijnssen-De Haan-Van Dam (Goederenrecht), 2006, nr. 333 en 334.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c290a03642b1d18bb1957d5a0b2f5732cecf89060286b3ce6133356e98db897c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c290a03642b1d18bb1957d5a0b2f5732cecf89060286b3ce6133356e98db897c, en de alinea staat in dat document op bytes 40272 tot 41293.