Citaat | Parket bij de Hoge Raad 14 januari 2011

Alinea 88 Parket bij de Hoge Raad 14 januari 2011

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 14 januari 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BO3521.

's Hofs oordeel dat uit deze passage - waarin de curator verklaart dat de familie [eiser] niet één van de belanghebbenden was van wie hij de belangen nog behartigde nadat het kort geding jegens [betrokkene 4] had plaatsgevonden - volgt dat moet worden voorbijgegaan aan het beroep van [eiser] c.s. dat de curator ook hen vertegenwoordigde bij de vernietiging van de overeenkomst van 1 oktober 2002 tussen [betrokkene 2] en [verweerder 1] op de voet van art. 3:45 BW, is inderdaad, zoals het middelonderdeel betoogt, zonder nadere motivering onbegrijpelijk nu het kort geding is gevoerd in mei 2003 (naar blijkt uit prod. 6 bij de memorie van antwoord, tevens houdende incidenteel appel) terwijl de curator de nietigheid van de overeenkomst reeds bij brief van 30 december 2002 "namens de consignatiegevers" heeft ingeroepen. Dat [eiser] c.s. het onderhavige geding bij dagvaarding van 5 december 2002 aanhangig hebben gemaakt en dat zij daarbij in eerste aanleg geen beroep op art. 3:45 BW hebben gedaan, doet daaraan naar mijn oordeel op zichzelf niet af.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c290a03642b1d18bb1957d5a0b2f5732cecf89060286b3ce6133356e98db897c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c290a03642b1d18bb1957d5a0b2f5732cecf89060286b3ce6133356e98db897c, en de alinea staat in dat document op bytes 52864 tot 53935.