Citaat | Parket bij de Hoge Raad 1 februari 2011
Alinea 18 Parket bij de Hoge Raad 1 februari 2011
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 1 februari 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BO4019.
7. Het eerste middel ziet op feit 1, te weten ontuchtige handelingen strafbaar gesteld in art. 244 Sr (oud), waarop destijds een gevangenisstaf van twaalf jaren was gesteld.(1) Ingevolge art. 70 Sr (oud) bedroeg de verjaringstermijn destijds twaalf jaren.(2) Bij Wet van 19 januari 1989 (Stb. 1989, 7) werd art. 70 Sr (oud) aldus gewijzigd, dat de verjaringstermijn voortaan vijftien jaren bedraagt voor misdrijven waarop een gevangenisstraf van meer dan tien jaren is gesteld.(3) In art. 1, tweede lid, Sr is voorzien in overgangsrecht ten aanzien van een wijziging van regels van materieel strafrecht; de voor de verdachte gunstigste bepalingen moeten worden toegepast, indien een wijziging van het materiële strafrecht optreedt na het tijdstip waarop het strafbaar feit is begaan. In de literatuur is echter een punt van discussie of het bepaalde in artikel 1, tweede lid, Sr ook geldt ten aanzien van een wijziging van een regeling inzake de verjaring.(4) Het gaat om de vraag of regels over verjaring behoren tot het formele dan wel het materiële strafrecht. Indien de verjaring behoort tot het materiële strafrecht, dan volgt uit art. 1, tweede lid, Sr dat in dezen het oude recht, zijnde het voor de verdachte gunstigste recht, van toepassing blijft op oude feiten.(5) Indien regels van verjaring moeten worden gerekend tot het formele strafrecht, dan is ingevolge bovengenoemde hoofdregel het nieuwe verjaringsregime vanaf de inwerkingtreding van toepassing op oude - op dat tijdstip volgens het oude recht nog niet verjaarde - strafbare feiten. Inderdaad geldt naar hedendaagse rechtsopvatting in strafzaken als uitgangspunt dat in geval van verandering van wetgeving met betrekking tot de verjaring als uitgangspunt dat deze verandering direct van toepassing is, met dien verstande dat een reeds voltooide verjaring wordt geëerbiedigd.(6) Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) deelt dit standpunt zoals blijkt uit de zaak Coëme et al. tegen België, waarin het Hof overwoog dat de in art. 7 van het EVRM gegarandeerde rechten niet worden geschonden door een directe (met terugwerkende kracht) werking van een gewijzigde (langere) verjaringstermijn ten aanzien van nog niet verjaarde misdrijven.(7) Aldus zou de gewijzigde wetgeving wèl van toepassing zijn op het onderhavige feit, nu het feit immers op het moment van de wetswijziging nog niet was verjaard, en zou de verjaringstermijn voortaan vijftien jaren bedragen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a48e293b074abdb1bf766876abff037c676128b35a8e47a2b8e90320d64668eb. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a48e293b074abdb1bf766876abff037c676128b35a8e47a2b8e90320d64668eb, en de alinea staat in dat document op bytes 11409 tot 13872.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/a48e293b074abdb1bf766876abff037c676128b35a8e47a2b8e90320d64668eb | shasum -a 256