Citaat | Parket bij de Hoge Raad 22 maart 2011

Alinea 46 Parket bij de Hoge Raad 22 maart 2011

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 22 maart 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BO4471.

In deze afwijkende gevallen is er geen sprake meer van medeplichtigheid bij of tot het hoofdfeit, zij het mogelijk nog wel van medeplichtigheid bij of tot het in de toedracht ook begane feit (bijv. de inbraak). Twijfelachtig worden de gevallen genoemd van "Tatbestandliche Verwandschaft" (afpersing/roof of diefstal/bedrog). In die gevallen kan het erom spannen of de medeplichtige het oog had op (eventueel)gebruik van geweld bij het verkrijgen van de macht over een zaak of niet. De beoordeling daarvan wordt genoemd "ein Problem der Wesentlichkeit der Abweichung" (Schönke/Schröder, StGb Kommentar. Aufl 28. nrs. 23/24). Wat hieruit naar voren komt is dat de afgrenzing van de kwalificatie van medeplichtigheid naar het hoofdfeit niet exclusief hoeft te worden beheerst door al of niet te constateren overlappende bestanddelen. Uiteindelijk is van belang aan te kunnen knopen bij het globaal verwachte handelingsverloop dat de medeplichtige bij zijn ondersteuning voor ogen had, waarin het Tatexzess als ten minste een bewust aanvaard risico te plaatsen moet zijn.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b45942370bb2a110368d89fb123faacdf4878d465243259357fc0491d503f74e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b45942370bb2a110368d89fb123faacdf4878d465243259357fc0491d503f74e, en de alinea staat in dat document op bytes 23728 tot 24810.