Citaat | Parket bij de Hoge Raad 11 februari 2011
Alinea 36 Parket bij de Hoge Raad 11 februari 2011
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 11 februari 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BO4936.
2.7.1 In subonderdeel 3.4 wordt hiertegen aangevoerd dat het hof met een en ander in strijd met artikel 24 Rv. de gronden van het verweer tegen de vordering van [eiser] aanvult. Op zichzelf komt deze klacht niet ongegrond voor. Van de punten die het hof in rov. 4.6 aanstipt, kan niet gezegd worden dat het zonder meer voor de hand ligt dat [eiser] deze ter onderbouwing van zijn reconventionele vordering zou hebben aangevoerd. Zij zijn niet aanstonds zo bepalend te achten voor de toewijsbaarheid van een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking dat van degene, die deze vordering instelt, verlangd mag worden dat hij de punten eigener beweging ter onderbouwing van zijn vordering opvoert. Het zou veeleer op de weg van [verweerster] hebben gelegen om die punten in het kader van haar verweer tegen de vordering aan te voeren. Het zijn nogal specieuze punten, die aanleiding kunnen geven om een in eerste instantie wel toewijsbare vordering toch af te wijzen. Bij de weg die het hof in rov. 4.6 volgt, strandt de vordering van [eiser] mede om redenen, waarover geen debat tussen partijen heeft plaatsgevonden zonder dat dit [eiser] kan worden aangerekend.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bc0f08d37e3590cfdec5304a39b5702cece24d4fb28ba540e848df2b9e4c45b9. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bc0f08d37e3590cfdec5304a39b5702cece24d4fb28ba540e848df2b9e4c45b9, en de alinea staat in dat document op bytes 16924 tot 18097.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/bc0f08d37e3590cfdec5304a39b5702cece24d4fb28ba540e848df2b9e4c45b9 | shasum -a 256