Citaat | Parket bij de Hoge Raad 21 januari 2011

Alinea 283 Parket bij de Hoge Raad 21 januari 2011

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 21 januari 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BO5290.

5.3 Alhoewel ik meen dat het cassatieberoep zou moeten worden verworpen, is de beantwoording van de Unierechtelijke vragen die dat beroep aan de orde stelt niet zo evident dat een prejudiciële verwijzing onverdedigbaar zou zijn. Daarmee is echter niet gezegd dat een eventuele prejudiciële verwijzing in de onderhavige kortgedingprocedure (en niet in de reeds aanhangige bodemprocedure) zou moeten plaatsvinden. Prejudiciële vragen die worden geformuleerd op basis van een nog niet uitputtend gevoerde feitelijke discussie zouden achteraf onvolledig of onvoldoende scherp kunnen blijken, waardoor het prejudiciële arrest de verwijzende rechter onvoldoende aanknopingspunten zal bieden voor een definitieve beslissing van de Unierechtelijke geschilpunten. Daartegenover staat weliswaar het voordeel van tijdwinst in het geval dat de Hoge Raad reeds thans prejudiciële vragen stelt, maar het is (nog daargelaten dat die tijdwinst betrekkelijk is nu de bodemrechter in iedere aanleg prejudiciële vragen kan stellen en een prejudiciële verwijzing derhalve niet per se op een beslissing van de Hoge Raad ten gronde behoeft te wachten) de vraag of dat voordeel opweegt tegen het risico van een onvoldoende op de bijzonderheden van de zaak toegespitst prejudicieel arrest.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ec618a49cf03a0357baca542f82bc10380ae8ac1c5199501b962b177a1a13a1f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ec618a49cf03a0357baca542f82bc10380ae8ac1c5199501b962b177a1a13a1f, en de alinea staat in dat document op bytes 126780 tot 128065.