Citaat | Parket bij de Hoge Raad 1 februari 2011
Alinea 40 Parket bij de Hoge Raad 1 februari 2011
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 1 februari 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BO7992.
9. De toelichting op het middel behelst ten eerste de klacht dat het Hof ten onrechte, althans onbegrijpelijk, heeft geoordeeld dat de volmacht niet van verdachte afkomstig is. Dat de handtekening niet van verdachte afkomstig zou zijn, had het Hof niet zonder meer mogen vaststellen; aldus heeft het Hof ten onrechte de in casu opgemaakte volmacht niet aanvaard als volmacht in de zin van art. 450 Sv. Onder verwijzing naar literatuur(2) en jurisprudentie(3) voert de steller van het middel aan dat gebreken bij het aanwenden van het rechtsmiddel niet altijd fataal zijn en dat bij het instellen van een rechtsmiddel de formaliteiten minder belangrijk zijn, terwijl de bedoeling van de verdachte (of zijn advocaat) centraal staat. Bij het instellen van een rechtsmiddel staan volgens de steller van het middel drie begrippen centraal. Ten eerste dat degene aan wie de wet een rechtsmiddel toekent, beslist of hij dit rechtsmiddel wil benutten (authenticiteit). Ten tweede dat degene die kan beslissen over het al dan niet benutten van een rechtsmiddel zijn wil kenbaar moet maken (wilsverklaring). Ten derde dat aan de kenbaar gemaakte wilsverklaring slechts gevolgen worden verbonden als die wilsverklaring tegenover een bevoegde instantie (autoriteit) is geuit. In de onderhavige zaak zouden de eerste twee begrippen een rol spelen, te weten authenticiteit en wilsverklaring. Zo zou uit het door middel van een schriftelijke volmacht instellen van verdachte reeds moeten blijken dat verdachte de wens had beroep in te stellen. Door te overwegen dat een schriftelijke volmacht (uitgaande van de lastgever) dient te zijn ondertekend, stelt het Hof een eis die de wet niet kent. Voor zover voorts al sprake zou zijn van ondertekening in de zin van een 'handtekening', dient dit gebrek als gesauveerd te worden beschouwd, nu de namens verdachte gemachtigde raadsman ter terechtzitting is verschenen, die uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven dat het de wens was van verdachte om hoger beroep in te stellen. Voorts voert de steller van het middel aan dat het Hof niet heeft vastgesteld dat het handschrift op de machtiging instellen hoger beroep niet overeenkomt met het van verdachte bekende handschrift. Dat het Hof in onderhavige zaak en de met deze zaak samenhangende zaken, waarin wél een machtiging voorhanden was, het appel niet heeft aanvaard wekt volgens de steller van het middel te meer bevreemding nu het Hof in andere verwante zaken, waarin enige schriftelijke machtiging ontbreekt, het ingestelde appel wél zou hebben aanvaard. Gelet hierop had het Hof verdachte moeten ontvangen in het namens hem ingestelde hoger beroep.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/434a73d1d423b6dca97900af6094c59fb1f152c718af35dfda713b834f1eecca. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 434a73d1d423b6dca97900af6094c59fb1f152c718af35dfda713b834f1eecca, en de alinea staat in dat document op bytes 13685 tot 16334.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/434a73d1d423b6dca97900af6094c59fb1f152c718af35dfda713b834f1eecca | shasum -a 256