Citaat | Parket bij de Hoge Raad 25 februari 2011

Alinea 324 Parket bij de Hoge Raad 25 februari 2011

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 25 februari 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BO9554.

dat op grond hiervan aannemelijk is dat de wetgever van 1901 - wat hij voor de toepassing van art. 96 jo. art. 61 bij een onteigening ter uitvoering van een uitbreidingsplan onder het "werk waartoe werd onteigend" ook mag hebben verstaan - voor de vraag wanneer met dit werk geacht moet worden een aanvang te zijn gemaakt, aan soortgelijke werkzaamheden heeft gedacht als die welke daartoe bij de toepassing van art. 61 Ow in het algemeen in aanmerking komen, dat wil zeggen aan materiële werkzaamheden op of aan de onteigende grond of het complex van gronden waartoe het onteigende behoort, en niet aan de voorbereidende werkzaamheden die daaraan - anders dan in de "gewone gevallen" van onteigening - vooraf moeten gaan, en met het oog waarop de in art. 61 Ow. bepaalde termijn nu juist van een jaar tot tien jaren werd verlengd;

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/43d39df9d52b15b712b2597c0312be9517ca4fbd5969465736fe70b2ea075a0a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 43d39df9d52b15b712b2597c0312be9517ca4fbd5969465736fe70b2ea075a0a, en de alinea staat in dat document op bytes 112415 tot 113260.