Citaat | Parket bij de Hoge Raad 25 maart 2011
Alinea 85 Parket bij de Hoge Raad 25 maart 2011
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 25 maart 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BO9675.
48. Tot mijn spijt - zoals ik al aangaf heb ik alle begrip voor de moeilijkheid aan de kant van [de vrouw] die door haar in cassatie wordt benadrukt - lijkt ook de tweede weg die namens [de vrouw] in alinea D 2 van het verweerschrift in cassatie wordt aangedrongen - namelijk een door de Hoge Raad uit te spreken voorlopige voorziening voor de duur van het geding na verwijzing - mij niet begaanbaar. In HR 24 juni 1966, NJ 1966, 464 ("O. ten aanzien van de ontvankelijkheid der vordering") is geoordeeld dat voorlopige voorzieningen voor de duur van het geding naar hun aard behoren tot de taak van de rechter die over de feiten oordeelt.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/19745bc039fd2a98a9f357bc13d5b4d8a0bcccac8660293f04552bc148fa6c60. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 19745bc039fd2a98a9f357bc13d5b4d8a0bcccac8660293f04552bc148fa6c60, en de alinea staat in dat document op bytes 41150 tot 41803.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/19745bc039fd2a98a9f357bc13d5b4d8a0bcccac8660293f04552bc148fa6c60 | shasum -a 256