Citaat | Parket bij de Hoge Raad 8 april 2011

Alinea 50 Parket bij de Hoge Raad 8 april 2011

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 8 april 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BP0580.

3.13.1 Ik weet dat Uw Raad genuanceerd(er) aankijkt tegen de onder 3.11 en 3.12 genoemde kwestie.(11) Wat er van dat oordeel en de vraag of het geheel spoort met de bedoeling van de wetgever voor het in dat arrest beslechte geval ook zij, er bestaat m.i. weinig grond om in een geval met de onder 3.11 genoemde bijzondere kenmerken, de weg van art. 3:305a BW open te stellen. De consequentie daarvan zou immers zijn dat een verklaring voor recht zou (kunnen) worden gegeven voor ongelijke gevallen. Dat zou (kunnen) betekenen dat een werkgever verplichtingen zou krijgen (opgelegd) die verder gaan dan hetgeen waartoe hij op grond van de wet of de arbeidsovereenkomst met een concrete werknemer is gehouden. Zo'n benadering lijkt mij niet zonder risico in het licht van art. 1 Eerste Protocol EVRM. Of dat laatste gevaar zich al dan niet zou kunnen verwezelijken, zou m.i. af kunnen hangen van de omstandigheden van het geval en met name van de vraag hoe het dictum van een uitspraak luidt en of daarin voldoende ruimte wordt gelaten om bij de behandeling van de afzonderlijke zaken rekening te houden met de bijzonderheden daarvan.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/dbcd5cd6fdd296210c71552da4553e84389b21ae8063ba0cde71ba9ce14a954f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt dbcd5cd6fdd296210c71552da4553e84389b21ae8063ba0cde71ba9ce14a954f, en de alinea staat in dat document op bytes 18935 tot 20080.