Citaat | Parket bij de Hoge Raad 1 april 2011

Alinea 35 Parket bij de Hoge Raad 1 april 2011

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 1 april 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BP4454.

1.15 Nadat bij tussenvonnis van 26 september 2007 een comparitie van partijen was gelast, welke comparitie op 15 januari 2008 heeft plaatsgehad, heeft de rechtbank bij vonnis van 21 mei 2008(2) de vordering afgewezen. Voor zover Legal & General heeft betwist dat art. 7a PSW op beschikbare premieregelingen als de onderhavige van toepassing is, heeft de rechtbank tot uitgangspunt genomen dat zulks wel het geval is (rov. 4.1). Naar het oordeel van de rechtbank valt uit de tekst van art. 7a PSW en de wetsgeschiedenis slechts af te leiden dat ook bij beschikbare premieregelingen van een tijdsevenredige opbouw van de pensioenaanspraken en van de financiering daarvan sprake dient te zijn. Volgens de rechtbank heeft [eiseres] niet toegelicht waarom daarvan slechts sprake kan zijn indien alle op de beschikbare premie in mindering te brengen kosten gelijkelijk over de (beoogde) looptijd van de verzekering worden gespreid, hetgeen op haar weg had gelegen, nu Legal & General terecht heeft aangevoerd dat een zelfde premie gedurende de eerste jaren - gelet op de langere periode dat daarop rendement kan worden behaald - tot een hogere pensioenopbouw leidt dan gedurende de latere jaren, reden waarom in de memorie van toelichting wordt vermeld dat bij een beschikbare premieregeling toelaatbaar kan zijn dat gedurende de eerste jaren een lagere premie wordt betaald dan gedurende de latere jaren (rov. 4.4.1). Voorts overwoog de rechtbank dat [eiseres] onvoldoende heeft geadstrueerd dat met de door Legal & General toegepaste kostenallocatie, alhoewel die in overeenstemming is met de door het Verbond van Verzekeraars aanbevolen methode, geen tijdsevenredige pensioenopbouw wordt verkregen (rov. 4.4.2). Ook de stelling van [eiseres] dat werknemers die slechts korte tijd bij een werkgever een dienstverband hebben, bij de door Legal & General toegepaste methode aanzienlijk worden benadeeld ten opzichte van de blijvers, hetgeen art. 7a PSW juist heeft willen tegengaan, heeft de rechtbank verworpen, omdat naar haar oordeel niet valt in te zien waarom een verzekeraar ter zake van aanvangskosten werknemers in bescherming moet nemen die, om welke reden dan ook, slechts kort in dienst blijven, zolang de kostenallocatie ten opzichte van die werknemers niet onredelijk is en aan de eis van evenredige pensioenopbouw van art. 7a PSW beantwoordt (rov. 4.4.3).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b60573a538db2dca85f973bbdb0549c3db261bb0b79cf9ccf79c69382cbd3386. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b60573a538db2dca85f973bbdb0549c3db261bb0b79cf9ccf79c69382cbd3386, en de alinea staat in dat document op bytes 12537 tot 14929.