Citaat | Parket bij de Hoge Raad 22 februari 2011

Alinea 124 Parket bij de Hoge Raad 22 februari 2011

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 22 februari 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BP5162.

17 Daarin onderscheidt deze fictieve casus zich m.i. van de casus uit HR 10 februari 1998, LJN ZD0934, NJ 1998, 446, waarin een vordering tot ontneming van voordeel uit handel in verdovende middelen samenliep met de gemeentelijke terugvordering van ten onrechte genoten RWW-uitkeringen (vanwege de onvermelde illegale inkomsten). Het voordeel van de veroordeelde correspondeerde (m.i. anders dan in de voorliggende casus) niet met het nadeel van de gemeente. Men kan zich hooguit afvragen of de gemeente achteraf bezien wel enig nadeel heeft geleden zodra het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontnomen en de betrokkene zich met terugwerkende kracht bevindt in de positie waarin hij recht heeft op een uitkering. Dit betreft m.i. geen probleem aangaande het bepalen van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel, zoals wel het geval is in de voorliggende zaak. Dit neemt niet weg dat het totaalpakket aan overheidsmaatregelen tot onbillijke resultaten kan leiden, waarvoor de matigingsbevoegdheid van artikel 36e, lid 4 Sr en de procedure van artikel 577b Sv mogelijk een oplossing zouden kunnen bieden. Zie ook HR 29 oktober 2002, LJN AE7707, NJ 2003, 18, alsmede: CRvB 15 oktober 1999, LJN ZB8525 (ook gepubliceerd onder: LJN AA8681).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ac0aef1f164b58b8aa6f3c9bd98fca0befc335d1619bf4ab432d1faf523ecbb3. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ac0aef1f164b58b8aa6f3c9bd98fca0befc335d1619bf4ab432d1faf523ecbb3, en de alinea staat in dat document op bytes 57594 tot 58858.