Citaat | Parket bij de Hoge Raad 8 november 2011

Alinea 58 Parket bij de Hoge Raad 8 november 2011

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 8 november 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BP6421.

Verdachte werd op 4 december 2000 aangehouden en in verzekering gesteld. Nu met deze aanhouding het voor verdachte kenbaar werd dat een vervolging jegens hem kon worden ingesteld, dient naar het oordeel van het hof dit moment als het begin van de criminal charge te worden aangemerkt. De rechtbank heeft vervolgens vonnis gewezen op 18 februari 2004, welke datum langer dan 2 jaar na het aanvangsmoment van vervolging ligt. Hieruit zou kunnen worden afgeleid dat er een overschrijding van de redelijke termijn heeft plaatsgevonden. Het hof is evenwel van oordeel dat (reeds) gelet op het feit dat in april 2000 een gerechtelijk vooronderzoek is aangevangen waarbij diverse rechtshulpverzoeken naar Duitsland en België zijn uitgegaan aangaande het horen van getuigen, doorzoekingen en vorderingen tot uitlevering, er geen sprake is geweest van een onredelijk lang tijdsverloop. Het gerechtelijk vooronderzoek is vervolgens in september 2003 is afgesloten, waarna de rechtbank de strafzaak in februari 2004 heeft afgedaan. Gelet hierop is het hof van oordeel dat er in eerste aanleg geen overschrijding van de redelijke termijn heeft plaatsgevonden.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/06c6c0445bfc9efa6a24fe08c78f40be97542101affb7f47f5b0f2f1905400e7. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 06c6c0445bfc9efa6a24fe08c78f40be97542101affb7f47f5b0f2f1905400e7, en de alinea staat in dat document op bytes 19254 tot 20415.