Citaat | Parket bij de Hoge Raad 15 november 2011

Alinea 626 Parket bij de Hoge Raad 15 november 2011

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 15 november 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BP7544.

De klacht dat het hof de vaststelling dat op de onder b genoemde bijeenkomsten werd gesproken over het ongelovig verklaren van personen met als uiterste consequentie de dood louter - en ten onrechte - heeft gebaseerd op de verklaring van getuige [betrokkene 20] van 8 juli 2005 mist feitelijke grondslag. Ten aanzien van de radicale opvatting van het islamitische geloof waarover op die bijeenkomsten is gesproken heeft het hof immers overwogen dat uit de verklaring van [betrokkene 9] ter zitting van 15 april 2008, de getuigenverklaring van [betrokkene 21] van 1 november 2005 en een verklaring van [betrokkene 20] van 21 juli 2005 naar voren komt dat onder anderen [medeverdachte] de opvatting huldigde dat ongelovigen geen mededogen verdienen en mogen worden gedood, terwijl de bewijsmiddelen 8 en 9 inhouden dat hij op de min of meer besloten bijeenkomsten over de positie van ongelovigen heeft gesproken.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bc41f075c6f5e3cda14fd54ab23542ee9acd7e467bf6a3f99de2000cf05b73d7. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bc41f075c6f5e3cda14fd54ab23542ee9acd7e467bf6a3f99de2000cf05b73d7, en de alinea staat in dat document op bytes 218528 tot 219452.