Citaat | Parket bij de Hoge Raad 27 mei 2011
Alinea 16 Parket bij de Hoge Raad 27 mei 2011
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 27 mei 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BP8708.
6 In rov. 3.4 heeft het hof geoordeeld dat [verzoekster] niet te goeder trouw is ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van de schuld van de belastingdienst die betrekking heeft op de in 2009 ten onrechte genoten kinderopvangtoeslag. Art. 288 lid 3 Fw geeft de rechter een discretionaire bevoegdheid om in een dergelijk geval een toelatingsverzoek toe te wijzen, indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden onder controle heeft gekregen. Art. 288 lid 3 Fw heeft vooral betrekking op schuldenaren die hun psychosociale of verslavingsproblematiek onder controle hebben gekregen. Dat voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar die omstandigheden beheerst, zal moeten blijken uit de door de schuldenaar getroffen maatregelen(2). Het moet gaan om objectiveerbare maatregelen: de schuldenaar dient zich onder deskundige begeleiding van bijvoorbeeld verslavingszorg of budgetbegeleiding gesteld te hebben, die ook tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling gehandhaafd zal blijven, zo lang dat nodig is. In de onderhavige zaak heeft [verzoekster] in het kader van haar beroep op art. 288 lid 3 Fw aangevoerd dat zij psychische problemen heeft, maar maatregelen heeft genomen om er bovenop te komen. Het hof erkent ook in rov. 3.5 dat [verzoekster] op de goede weg is en er sprake is van een sociaal vangnet. Volgens het hof zijn de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden niet voldoende onder controle. Het hof komt tot die conclusie omdat [verzoekster] ter zitting heeft gezegd nog steeds psychische klachten en eetstoornissen te hebben, waardoor zij door de gemeentelijke sociale dienst is vrijgesteld van haar sollicitatieplicht. Hierdoor is zij volgens het hof kennelijk nog niet in staat om te voldoen aan de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende inspanningsverplichting om zoveel mogelijk inkomen te genereren ten behoeve van de schuldeisers. Het hof vult het criterium van art. 288 lid 3 Fw in met het vereiste van art. 288 lid 1 aanhef en onder c Fw dat bepaalt dat: "de schuldenaar (...) zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven". Dit is niet onjuist. Een schuldenaar die ten tijde van het verzoek de oorzaak van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden niet onder controle heeft, zal zijn saneringsverplichtingen, zoals de inspanningsverplichting om baten voor de boedel te verwerven, niet kunnen nakomen. In de onderhavige zaak gaat de toets van het hof verder. Het hof gaat niet na of [verzoekster] de oorzaak van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden onder controle heeft, maar wat voor gevolgen de psychische klachten, die [verzoekster] nog heeft, hebben. Het hof overweegt immers dat door de psychische klachten [verzoekster] door de gemeentelijke sociale dienst is vrijgesteld van haar sollicitatieplicht, waardoor zij kennelijk nog niet in staat is aan haar saneringsverplichtingen te voldoen. Uit de omstandigheden die [verzoekster] heeft aangevoerd, blijkt m.i. voldoende dat zij de oorzaak van het ontstaan of onbetaald laten onder controle heeft nu het overleg met de hulpverleningsinstanties is beëindigd, omdat het allemaal loopt en [verzoekster] vrijwillig onder de begeleiding van een budgetcoach staat. Dat [verzoekster] nog psychische klachten heeft waardoor ze (nog) niet kan werken, betekent niet dat zij niet aan haar inspanningsverplichting kan voldoen. Het hof miskent dan ook dat personen die om medische redenen niet in staat zijn om te werken aan hun inspanningsverplichting kunnen voldoen. Van personen voor wie de schuldsanering is uitgesproken mag worden verwacht dat zij zich tot het uiterste inspannen om te voldoen aan de daaraan verbonden verplichtingen (art. 350 lid 3 onder c Fw). De Wsnp bevat geen bepalingen die de schuldenaar verplicht inkomsten te verwerven c.q. aflossingscapaciteit te genereren(3). In de rechtspraak en literatuur wordt in het algemeen aangenomen dat uit de inspanningsverplichting voortvloeit dat van de schuldenaar verwacht mag worden dat hij zich zoveel mogelijk inspant om inkomsten te verwerven waarmee de schuldeisers kunnen worden voldaan(4). De Recofa-richtlijnen bepalen de inhoud van de inspanningsverplichting. Zo dient een schuldenaar die betaald werk heeft, zich in te spannen om dat werk te behouden en heeft een schuldenaar zonder betaald werk een sollicitatieplicht. De rechter-commissaris kan een schuldenaar een ontheffing geven voor de sollicitatieplicht onder andere wanneer de schuldenaar om medische redenen niet in staat is arbeid te verrichten. Dit betekent niet dat deze schuldenaar dus niet aan zijn inspanningsverplichting kan voldoen. In de onderhavige zaak betekent dat dat [verzoekster] zich dient in te spannen om weer arbeidsgeschikt te worden, waardoor ze kan gaan solliciteren om aan het werk te gaan. Het oordeel van het hof is m.i. onjuist, zodat het middel slaagt.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c547dabd8e860902cf84297ae1211e848a2984535f08ef1f9f5ce8a640a5d185. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c547dabd8e860902cf84297ae1211e848a2984535f08ef1f9f5ce8a640a5d185, en de alinea staat in dat document op bytes 9009 tot 14025.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/c547dabd8e860902cf84297ae1211e848a2984535f08ef1f9f5ce8a640a5d185 | shasum -a 256