Citaat | Parket bij de Hoge Raad 26 april 2011
Alinea 40 Parket bij de Hoge Raad 26 april 2011
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 26 april 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BP9900.
16. Naar het mij voorkomt dient voorts in ogenschouw te worden genomen dat verzoeker zijn als bewijsmiddel 1 gebezigde verklaring heeft afgelegd op 22 juni 2004 en, zoals gezegd, dus ver voordat het EHRM zijn Salduz en Panovits-arresten zou wijzen. Van deze arresten en de daarmee verband houdende rechtspraak van de Hoge Raad was nog geen sprake ten tijde van de verhoren op 22 juni 2004. Daaruit volgt dat het door het Hof geconstateerde vormverzuim van de betrokken politieambtenaren - dat toentertijd nog geen vormverzuim was - hen bezwaarlijk kan worden verweten. Ook in het licht hiervan heeft het Hof naar mijn mening het zogenoemde 'Salduz-verweer' van de verdediging op toereikende gronden verworpen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/67f0c4da369b4e79a562997f51d9c5256f2406373eba5359b807fc25fcb02bf6. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 67f0c4da369b4e79a562997f51d9c5256f2406373eba5359b807fc25fcb02bf6, en de alinea staat in dat document op bytes 19512 tot 20235.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/67f0c4da369b4e79a562997f51d9c5256f2406373eba5359b807fc25fcb02bf6 | shasum -a 256