Citaat | Parket bij de Hoge Raad 20 mei 2011
Alinea 31 Parket bij de Hoge Raad 20 mei 2011
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 20 mei 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BP9997.
2.3 Onderdeel 1 klaagt dat het hof, door de mede-eigendom van de boom te baseren op het enkele feit dat de stam 'met beide erven verenigd' is, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Volgens de klacht miskent het hof dat bij de beantwoording van de vraag aan wie een niet midden op de erfgrens tussen twee percelen staande boom in eigendom toebehoort met name van belang is hoe groot de ter weerszijden van de erfgrens staande gedeelten van de stam zijn. Betoogd wordt dat als het op een der percelen staande deel van de stam - dan wel de boom(7) - van een zodanig (relatief) geringe omvang is dat het naar verkeersopvattingen als een onzelfstandig bestanddeel van de boom moet worden aangemerkt, de boom geheel in eigendom toebehoort aan de eigenaar van het perceel waarmee het grootste gedeelte van de stam is verenigd (resp. waarop het grootste deel van de boom rust). De schriftelijke toelichting spreekt in dit verband van natrekking van het kleinste deel van de boom door het grootste deel van de boom. Het hof had mitsdien moeten beoordelen of het stukje stam/boom op het erf van [verweerder] c.s. naar verkeersopvatting een onzelfstandig bestanddeel van de boom als geheel vormt, aldus de klacht. Volgens onderdeel 2 heeft het hof, indien het van een juiste rechtsopvatting is uitgegaan, zijn oordeel in het licht van de stelling van de Stichting dat de boom maar voor een klein deel op het perceel van [verweerder] c.s. staat (verwezen wordt naar inleidende dagvaarding onder 21-22 en MvG onder 36) onvoldoende gemotiveerd. Onderdeel 3 klaagt dat het hof heeft miskend dat voor de vraag of de boom gemeenschappelijk eigendom is (geworden) wel degelijk relevant is de door de Stichting gestelde - maar door [verweerder] c.s. betwiste - omstandigheid dat de boom aanvankelijk is geplant op het perceel van de Stichting en de stam vervolgens op enig moment in beperkte mate in de breedte over de erfgrens heen is gegroeid respectievelijk is uitgezet. Volgens het onderdeel ontstaat in bedoelde omstandigheid geen mede-eigendom. Daartoe wordt in de schriftelijke toelichting aansluiting gezocht bij de regeling met betrekking tot overhangende beplantingen, doorschietende wortels en overbouw (art. 5:44 en 5:54 BW), waarin evenmin sprake is van het ontstaan van mede-eigendom. Subsidiair wordt een motiveringsklacht toegevoegd.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ae5a94fc0ef3fb77b128c0b1133d3a4d3266ce6c97e34493d0490435494115f1. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ae5a94fc0ef3fb77b128c0b1133d3a4d3266ce6c97e34493d0490435494115f1, en de alinea staat in dat document op bytes 10920 tot 13271.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/ae5a94fc0ef3fb77b128c0b1133d3a4d3266ce6c97e34493d0490435494115f1 | shasum -a 256