Citaat | Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2011

Alinea 79 Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2011

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BQ0505.

3.11 M.i. is de laatste jaren een duidelijker lijn naar voren gekomen, waarin de Hoge Raad het onderscheid tussen niet-ontvankelijkheid en afwijzing scherper maakt. De Hoge Raad onderscheidt tussen afwijzingsgronden die louter processueel dan wel (mede) materieelrechtelijk zijn. Die lijn komt in belangrijke mate voort uit zaken (van later datum dan de genoemde intrekkingsjurisprudentie) over een nauw verweven leerstuk, namelijk het onderscheid tussen exceptieve verweren en verweren ten principale. In het Fortuna/Léséleuc-arrest(14) van 6 januari 2006 heeft de Hoge Raad (terugkomend op eerdere jurisprudentie(15)) bepaald dat een verweer waarbij wordt gesteld dat de eiser c.q. verzoeker in cassatie geen belang meer heeft bij het cassatieberoep, geen exceptief verweer is, maar een verweer ten principale. Dat was in die zaak van belang voor de vraag in hoeverre het verweer tijdig was aangevoerd in verband met art. 411 lid 2 Rv. De Hoge Raad heeft in een recente beschikking van 9 juli 2010(16) deze lijn (dat een 'geen belang'-verweer een verweer ten principale is) bevestigd en expliciet doorgetrokken naar het onderscheid tussen niet-ontvankelijkheid en verwerping (c.q. afwijzing):

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ee772be18059c9696ef0f2bb93c1f39316abce1da7d43c1d35013e796a3bab24. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ee772be18059c9696ef0f2bb93c1f39316abce1da7d43c1d35013e796a3bab24, en de alinea staat in dat document op bytes 30404 tot 31613.