Citaat | Parket bij de Hoge Raad 13 december 2011

Alinea 80 Parket bij de Hoge Raad 13 december 2011

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 13 december 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BQ0834.

21. Tegen deze achtergrond heeft het Hof terecht geoordeeld dat indien de vordering van de benadeelde partij zou worden betwist, dat wellicht een reden zou kunnen zijn die vordering niet-ontvankelijk te verklaren, omdat de vordering dan niet van eenvoudige aard zou zijn. Zoals de Hoge Raad overwoog in zijn arrest van 15 september 2006, NJ 2007, 484(3) moet art. 361 lid 3 Sv in het licht van art. 6 lid 1 EVRM aldus worden uitgelegd dat zij de strafrechter tot niet-ontvankelijkverklaring verplicht indien hij niet verzekerd acht dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest om naar voren te brengen hetgeen zij ter staving van de vordering, onderscheidenlijk tot verweer tegen de vordering kunnen aanvoeren en, voorzover nodig en mogelijk, daarvan bewijs te leveren. Dat laatste is door of namens verdachte ter terechtzitting van het Hof niet gesteld, ook niet nadat het verzoek tot het horen van de getuige was afgewezen. Daarom kan daarover in cassatie niet meer worden geklaagd.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/976bfa86ceb6537e934c330a55c827498bd79f01e41070924886b510d2f0c1d2. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 976bfa86ceb6537e934c330a55c827498bd79f01e41070924886b510d2f0c1d2, en de alinea staat in dat document op bytes 25823 tot 26843.