Citaat | Parket bij de Hoge Raad 28 juni 2011

Alinea 37 Parket bij de Hoge Raad 28 juni 2011

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 28 juni 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BQ3742.

3.7 De steller van het middel doet een beroep op de zogenoemde 'Meer en Vaart'-jurisprudentie, waarbij het volgende heeft te gelden. Ingeval een verdachte het hem ten laste gelegde bestrijdt met een alternatieve lezing van de gebeurtenissen, die niet met een bewezenverklaring zou stroken, zal de rechter - indien hij tot een bewezenverklaring komt - die aangedragen alternatieve gang van zaken moeten weerleggen. Dat kan geschieden door opneming van bewijsmiddelen of vermelding, al dan niet in een nadere bewijsoverweging, van aan wettige bewijsmiddelen te ontlenen feiten en omstandigheden die de alternatieve lezing van de verdachte uitsluiten. Een dergelijke weerlegging is echter niet steeds vereist. In voorkomende gevallen zal de rechter ter weerlegging kunnen oordelen dat de door de verdachte gestelde alternatieve toedracht niet aannemelijk is geworden dan wel dat de lezing van de verdachte als ongeloofwaardig terzijde moet worden gesteld. Ten slotte kunnen zich gevallen voordoen waarin de lezing van de verdachte zó onwaarschijnlijk is, dat zij geen uitdrukkelijke weerlegging behoeft.(1)

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bb35bee2a2fdbde532b76a675898a3b857b06f5044ab7cd784d0e3a614885c59. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bb35bee2a2fdbde532b76a675898a3b857b06f5044ab7cd784d0e3a614885c59, en de alinea staat in dat document op bytes 16790 tot 17907.