Citaat | Parket bij de Hoge Raad 5 juli 2011

Alinea 72 Parket bij de Hoge Raad 5 juli 2011

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 5 juli 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BQ6691.

7. Gelet op hetgeen het hof heeft vastgesteld omtrent de positie van verdachte als ervaren, aanzienlijke oudere hulpverlener en zijn daaruit voortvloeiende overwicht op de psychisch en sociaal kwetsbare aangeefster, haar onvermogen om haar financiële zaken te behartigen, en de overigens vastgestelde feitelijke gang van zaken waaronder het opgestelde 'contract', acht ik 's hofs oordeel dat van een normale affectieve en evenwichtige relatie geen sprake was, niet onbegrijpelijk. Het hof heeft voorts zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat verdachte misbruik heeft gemaakt van de ongelijke verhoudingen tussen beiden en van de in meerdere opzichten kwetsbare [slachtoffer], als gevolg waarvan [slachtoffer] zich niet in staat voelde (en/of was) om de relatie te beëindigen en zich te onttrekken aan de situatie. Ik wijs daarbij op de tot bewijs gebezigde verklaringen van [slachtoffer] die onder meer inhouden dat zij met niemand meer contact mocht hebben, dat verdachte haar volledig in haar macht had, dat zij meerdere keren bij hem weg wilde maar dat hij dan weer zo wist te praten dat zij er niet meer tegen in durfde te gaan, dat hoewel zij afgesproken hadden allebei de helft van het huishoudgeld zouden bijdragen het erop neerkwam dat zij het volledige bedrag moest betalen, dat zij bang was voor verdachte, dat de seks pijnlijk was en gebeurde onder dwang, dat zij weg wilde maar niet wist hoe zij dat moest doen, dat zij niet tegen verdachte op kon en hij zelfs haar vakantiegeld inpikte, dat hij haar compleet in zijn macht had, dat zij van verdachte met ene [betrokkene 2] in bad moest en dat zij daar goed beroerd van was, en dat zij die [betrokkene 2] en ene [betrokkene 3] moest pijpen en/of aftrekken. Deze verklaringen vinden voldoende steun in andere bewijsmiddelen, waaronder ook de verklaringen van de verdachte. Uit het bewijsmateriaal heeft het hof kunnen afleiden dat aangeefster de relatie met verdachte in de bewezen verklaarde periode niet (meer) als een affectieve, mede op haar instemming gebaseerde relatie heeft ervaren, maar dat zij niet weg durfde of kon gaan. Nu de klacht berust op de stelling dat sprake was van een gewone affectieve relatie, faalt het middel gelet op het voorgaande in zoverre reeds bij gebrek aan feitelijke grondslag.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/71ffd1ac49562435a8689d1917bb03ced8b029bfbbd761c9b712729e9f7d4ba7. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 71ffd1ac49562435a8689d1917bb03ced8b029bfbbd761c9b712729e9f7d4ba7, en de alinea staat in dat document op bytes 28683 tot 31025.