Citaat | Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2011

Alinea 22 Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2011

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BQ7061.

"13. Op basis van de aan het hof overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof gebleken dat de ouders op basis van hun geloofsovertuiging de verantwoordelijkheid voor het nemen van beslissingen of het verrichten van handelingen buiten zichzelf en uitsluitend bij hun geloof leggen. Zij nemen een afwachtende houding aan in die zin dat zij wachten op ingevingen van God die hen duidelijk maken wat zij in een bepaalde situatie moeten doen. Aldus is de situatie ontstaan dat in gevallen waarin een snel en adequaat optreden van de ouders is geboden, zij niet bij machte zijn om daarnaar te handelen. Zo is gebleken dat de ouders de minderjarige niet hebben bij gevoed, terwijl de borstvoeding van de moeder onvoldoende bleek te zijn. Het hof is van oordeel dat zij hierdoor een onaanvaardbaar risico hebben genomen. De minderjarige heeft via de maatregel van voorlopige voogdij in het ziekenhuis bijvoeding gekregen. In de periode die volgde op de ziekenhuisopname van de minderjarige hebben de ouders geen garanties kunnen geven aangaande de voeding van de minderjarige, waardoor de gezondheid van de minderjarige ernstig werd bedreigd. Door het verschil in visie tussen de ouders en de gezinsvoogdijinstelling bleek een samenwerkingsrelatie niet mogelijk en werden de doelstellingen van de ondertoezichtstelling niet behaald. Voor zover de minderjarige stelt dat vanuit de hulpverlening onvoldoende inspanningen zijn verricht om aansluiting te zoeken bij de religieuze achtergrond van de ouders, is het hof uit de stukken het tegendeel gebleken. Echter, doordat de vader zich niet bij enige geloofsgemeenschap heeft aangesloten, is het ook niet mogelijk gebleken met behulp van een theoloog een verandering in de zienswijze van de ouders teweeg te brengen. De ondertoezichtstelling is derhalve onvoldoende gebleken om de ontwikkelingsbedreiging bij de minderjarige af te wenden en om die reden is de minderjarige sinds februari 2007 uit huis geplaatst in het huidige pleeggezin. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof gebleken dat de ouders, ondanks de uithuisplaatsing van inmiddels vrijwel al hun kinderen, geen verandering in de situatie hebben gebracht. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat er hierdoor onvoldoende van kan worden uitgegaan dat de ouders in het belang van de minderjarige handelen, dat zij beslissingen op rationele en weloverwogen wijze zullen nemen dat zij daarbij in de basale levensbehoeften van de minderjarige kunnen voorzien. Daarnaast hebben zij sinds september 2007 - op een enkele keer na - geen contact meer gehad met de minderjarige. Zij willen contact met de minderjarige, maar leggen het initiatief daarvan bij God. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de ouders niet in staat zijn gebleken feitelijk invulling te geven aan het ouderlijk gezag. Het hof acht de ouders derhalve onmachtig hun plicht tot verzorging en opvoeding van de minderjarige te vervullen. Niet valt te voorzien dat hierin binnen een afzienbare tijd een wijziging zal optreden. Van belang is dat de minderjarige recht heeft op en belang heeft bij contact met de ouders, maar aan de realisering van dit contact staat een ontheffing niet in de weg. Het belang van de minderjarige verzet zich dan ook niet tegen een ontheffing.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d28811b944176a9fbc404ff4e2587b495ee7ecec8c249b63173b958f0ee59cdb. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d28811b944176a9fbc404ff4e2587b495ee7ecec8c249b63173b958f0ee59cdb, en de alinea staat in dat document op bytes 7868 tot 11190.