Citaat | Parket bij de Hoge Raad 11 oktober 2011

Alinea 11 Parket bij de Hoge Raad 11 oktober 2011

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 11 oktober 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BQ8019.

5. In het onderhavige geval is de verdachte in hoger beroep gegaan. Hij heeft de getuige niet opgegeven bij schriftuur, maar later, bij brief aan de Advocaat-Generaal. Daarbij is de termijn van art. 414 jo. 263 Sv niet in acht genomen. De terechtzitting vond plaats op 16 oktober 2009 terwijl de brief is gedateerd 6 oktober 2009, zodat tussen de dag van de terechtzitting en de dag van ontvangst van de brief minder dan tien vrije dagen (vgl. art. 130 Sv) zijn verlopen. Het gaat in het onderhavige geval dus niet om een niet bij schriftuur door de verdachte opgegeven getuige als bedoeld in art. 418 lid 3 Sv(1) maar, nu verdachtes raadsman terechtzitting heeft gepersisteerd bij zijn verzoek als in bedoelde brief vervat, om een ter terechtzitting gedaan verzoek tot oproeping van de in bedoelde brief genoemde getuige. Op dat verzoek is het bepaalde in art. 415 jo. 315 en 328 Sv van toepassing.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/9c3dfd1ad4f0b947fc2abe0f2113f426fb09306719aa1e1d22e53147681ccd6c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 9c3dfd1ad4f0b947fc2abe0f2113f426fb09306719aa1e1d22e53147681ccd6c, en de alinea staat in dat document op bytes 5121 tot 6033.