Citaat | Parket bij de Hoge Raad 28 oktober 2011

Alinea 152 Parket bij de Hoge Raad 28 oktober 2011

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 28 oktober 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BR0664.

(...) Onder het box 3 regime bestaat, anders dan onder het regime van inkomsten uit vermogen in de Wet IB 1964, geen scheiding meer tussen de bron en de inkomsten uit de bron. Ook toekomstige inkomsten uit het vermogen zijn verdisconteerd in de grondslag van box 3 (in de waardering van het vermogen). Aangezien in box 3 niet de werkelijke, maar fictieve [voetnoot van de auteur: Ik gebruik het woord 'fictief' omdat met het veronderstelde rendement geen poging gedaan wordt de werkelijkheid te benaderen (tegenbewijs is ook niet toegelaten), maar een 'robuuste' heffing wordt nagestreefd, onafhankelijk van het werkelijke rendement, voor zover aanwezig.] inkomsten worden belast (4% van de vermogenswaarde, ook als in werkelijkheid verlies geleden wordt), kan in zoverre niet meer van earnings stripping worden gesproken. (...) Slechts de vermogenswaarde is relevant (de waarde van de "bron", zouden we onder het regime van de Wet IB 1964 zeggen). De grondslag van de heffing is niet meer de opbrengst minus de kosten, maar de bron zelf (het vermogen: de bezittingen minus de schulden). Zowel het fictieve rendement als het tarief zijn verder wetsduiding en kunnen gezamenlijk samengevat worden als 1,2% van de gemiddelde vermogenswaarde in een jaar.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f2dfe6ece8c3d6bae68d8ac40048f78927f146f0530ea4f3996ff1a12700a439. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f2dfe6ece8c3d6bae68d8ac40048f78927f146f0530ea4f3996ff1a12700a439, en de alinea staat in dat document op bytes 49560 tot 50824.