Citaat | Parket bij de Hoge Raad 6 december 2011
Alinea 67 Parket bij de Hoge Raad 6 december 2011
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 6 december 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BR1146.
5.3. De steller van het middel heeft aangevoerd dat in art. 341, derde lid, Sv is bepaald dat de verklaringen van een verdachte alleen te zijnen aanzien kunnen gelden, maar dat het vaste jurisprudentie is dat in niet gevoegde zaken verklaringen van een medeverdachte die elders dan ter terechtzitting zijn afgelegd wel kunnen worden gebruikt. Dit is anders indien het gaat om verklaringen die door een medeverdachte ter terechtzitting zijn afgelegd, aldus de steller van het middel, nu deze verklaringen geen bewijsmiddel zijn in de zin der wet. Art. 339 Sv kent immers wel de verklaring van de verdachte en van de getuige, maar niet de verklaring van de medeverdachte, hetgeen door de wetgever nog nader tot uitdrukking is gebracht in art. 341, derde lid, Sv, doordat de opgave van een medeverdachte niet ten aanzien van de verdachte kan gelden.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c79917fae62637fe695200c84f931b6a03d343fdf7548cd0fb5b91268a33bbf6. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c79917fae62637fe695200c84f931b6a03d343fdf7548cd0fb5b91268a33bbf6, en de alinea staat in dat document op bytes 28520 tot 29379.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/c79917fae62637fe695200c84f931b6a03d343fdf7548cd0fb5b91268a33bbf6 | shasum -a 256