Citaat | Parket bij de Hoge Raad 25 november 2011

Alinea 199 Parket bij de Hoge Raad 25 november 2011

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 25 november 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BR4807.

6.1 De totale winst van een belastingplichtige voor de vennootschapsbelasting is het bedrag van de gezamenlijke voordelen die, onder welke naam en in welke vorm ook, tijdens het bestaan van de belastingplicht worden verkregen uit onderneming (art. 8 Wet Vpb jo. art. 3.8 Wet IB 2001). BV's zoals de belanghebbende worden geacht hun onderneming te drijven met hun gehele vermogen (art. 2(5) Wet Vpb). In beginsel behoren daarom alle kosten en verliezen van een BV tot haar belaste resultaat uit onderneming. Bij ondernemers/natuurlijke personen en beperkt belastingplichtigen voor de vennootschapsbelasting daarentegen moet per voordeel of nadeel bepaald worden of het al dan niet voortvloeit uit hun ondernemingsuitoefening, dan wel in de privésfeer/de niet-ondernemingssfeer ligt. Gezien art. 2(5) Wet Vpb, valt met Marres(26) aan te nemen dat het onderscheid tussen ondernemingssfeer en niet-ondernemingssfeer voor lichamen die onder die bepaling vallen niet van groot belang is, ook niet in de context van de aftrek van rente of afwaarderingen op onzakelijke leningen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/1663b1a9adbb23e9b3c71602d4445e797273fb5371822fbeec784ea75dc4ed04. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 1663b1a9adbb23e9b3c71602d4445e797273fb5371822fbeec784ea75dc4ed04, en de alinea staat in dat document op bytes 81970 tot 83055.