Citaat | Parket bij de Hoge Raad 25 november 2011
Alinea 339 Parket bij de Hoge Raad 25 november 2011
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 25 november 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BR4807.
8.17 Er zijn ook nog andere redenen dan het bestaan van HR BNB 1988/217 om te menen dat voor de ophoging van het opgeofferde bedrag niet van belang is of civielrechtelijk vermogen verschuift (of de terugbetalingsverplichting nog bestaat). De Wet Vpb heeft als uitgangspunt (enigszins ondergesneeuwd door de uitzonderingen, met name de deelnemingsvrijstelling en de fiscale eenheid) dat een vennootschap zelfstandig voor al haar resultaten in de belastingheffing wordt betrokken, zowel voor haar resultaten op/uit aandelen (deelnemingen) als voor haar resultaten op/uit een vordering op een deelneming. Beide soorten resultaten behoren ex art. 3.8 Wet IB 2001 juncto art. 8 Wet Vpb tot de totale winst. Indien geen objectieve vrijstelling (deelnemingsvrijstelling) zou bestaan, zou zowel een verlies op aandelenbezit als een verlies op een vordering omlaag aftrekbaar zijn, nu vermogensvergelijking immers uitwijst dat het vermogen verkleind is met dat verlies. Bij een financiering omlaag, of die nu in aandelen geschiedt of in de vorm van een lening, speelt bij een art. 2(5)-lichaam in beginsel alles zich in de winstsfeer af; zowel opbrengsten en kosten als vermogensmutaties. Slechts door de werking van de deelnemingsvrijstelling worden bepaalde resultaten verwijderd uit de belaste-winstsfeer. Zij blijven echter principieel in de winstsfeer, zij het de objectief vrijgestelde-winstsfeer. De deelnemingsvrijstelling bewerkstelligt dat afwaarderingsverliezen op aandelen fiscaal niet (meteen) genomen kunnen worden. Art. 13 Wet Vpb werkt in dat opzicht als een aftrekbeperking. Als een afwaardering door die aftrekbeperking van art. 13 getroffen wordt, impliceert dit dat hetgeen afgewaardeerd wordt, tot de deelnemingssfeer behoort. Iets dat niet tot de deelnemingssfeer behoort, kan immers ook niet door de deelnemingsvrijstelling getroffen worden. Juist het feit dat de afwaardering niet aftrekbaar is door de werking van de deelnemingsvrijstelling, impliceert dat het de deelneming is die in waarde is afgenomen. Uiterlijk op het moment van de afwaardering vindt dus kennelijk een overgang plaats van de belaste-winstsfeer (vordering) naar de objectief vrijgestelde winstsfeer (kostprijs deelneming). Anders gezegd: de (potentiële) negatieve waarde van de aan de deelnemingsverhouding toe te rekenen aanvaarding van het debiteurenrisico was reeds onderdeel van het aandelenbezit (die aanvaarding moet aan de deelnemingsverhouding toegerekend worden omdat realisering van het risico immers niet-aftrekbaar is juist omdat die aanvaarding niet uit zakelijk ondernemen maar uit de gelieerdheid voortvloeit). Die negatieve waarde is mijns inziens het bedrag dat niet aftrekbaar is wegens gelieerdheid (wegens het bestaan van de deelnemingsverhouding). Dat bedrag hoort dus bij de kostprijs van de deelneming en verhoogt dus het opgeofferde bedrag. Of dat bedrag bij de deelneming al dan niet een informele kapitaalstorting oplevert, is in deze benadering niet van belang voor de conclusie dat de niet-aftrekbare afwaardering alsnog ex art. 13d Wet Vpb bij liquidatie aftrekbaar is als onderdeel van de kostprijs van de deelneming. Zie ik het goed, dan ligt een dergelijke redenering ook ten grondslag aan de stelling van Cornelisse en Derckx(92) dat de onzakelijke lening omlaag "niet bestaat".
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/1663b1a9adbb23e9b3c71602d4445e797273fb5371822fbeec784ea75dc4ed04. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 1663b1a9adbb23e9b3c71602d4445e797273fb5371822fbeec784ea75dc4ed04, en de alinea staat in dat document op bytes 138885 tot 142197.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/1663b1a9adbb23e9b3c71602d4445e797273fb5371822fbeec784ea75dc4ed04 | shasum -a 256