Citaat | Parket bij de Hoge Raad 25 november 2011

Alinea 54 Parket bij de Hoge Raad 25 november 2011

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 25 november 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BR4807.

1.8 Doel en strekking van de liquidatieverliesregeling verzetten zich mijns inziens niet tegen afrek van de afwaardering op een ODR-lening omlaag bij liquidatie van de deelneming/debiteur. Desgewenst kan de verstrekking van een ODR-lening omlaag dogmatisch als voorwaardelijke informele kapitaalstorting beschouwd worden ten bedrage van het niet bij derden op dezelfde voorwaarden aantrekbare bedrag, nl. onder de opschortende voorwaarden dat (i) het onzakelijk genomen risico zich realiseert en (ii) op dat latere moment nagenoeg zeker zal blijken te zijn dat de dochter/debiteur zich onvoldoende zal herstellen om dat deel terug te betalen. Weliswaar hebben de partijen op het moment van geldverstrekking niet de intentie eigen vermogen te verstrekken, maar zij zijn zich wel bewust van het risico, van de niet-zekering ervan, en van het feit dat die niet-zekering veroorzaakt wordt door het aandeelhouderschap van de crediteur. U zie ook onderdeel 5.7 van mijn conclusie in de aanhangige zaak 08/05323: op het moment van aangaan van de ODR-lening kan een potentiële kapitaalstorting aangenomen worden die zich niet realiseert als het onzakelijk genomen risico zich niet realiseert. Als het risico zich wél realiseert, gaat de ODR-lening in die benadering op het moment van realiseren voor het onzakelijke deel over in een BP-lening, dus fiscaalrechtelijk in eigen vermogen volgens HR BNB 1988/217. In het onwaarschijnlijke geval dat later de vordering toch weer volwaardig(er) wordt, moet de verhoging van het opgeofferde bedrag dan wel worden teruggenomen. Dat kan door die verhoging slechts voorwaardelijk te aanvaarden op het moment van afwaardering. Indien men deze benadering te avontuurlijk vindt, kan het opgeofferde bedrag ook pas bij liquidatie opgehoogd worden met het onaftrekbaar afgeschreven leningdeel, op basis van de redenering dat pas op dat moment nagenoeg zeker is dat nooit terugbetaald zal worden. In beide gevallen moet een later onwaarschijnlijkerwijs nog op de afgewaardeerde vordering ontvangen betaling aangemerkt worden als een belaste liquidatie-uitkering ex art. 13d(2) Wet Vpb.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/1663b1a9adbb23e9b3c71602d4445e797273fb5371822fbeec784ea75dc4ed04. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 1663b1a9adbb23e9b3c71602d4445e797273fb5371822fbeec784ea75dc4ed04, en de alinea staat in dat document op bytes 11893 tot 14019.