Citaat | Parket bij de Hoge Raad 6 december 2011

Alinea 43 Parket bij de Hoge Raad 6 december 2011

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 6 december 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BT2528.

3.8. In het bestreden arrest heeft het hof zijn afwijking van het standpunt van de verdediging dat de rechter-commissaris in de onderhavige zaak ten tijde van het afgeven van zijn mondelinge machtiging niet kon beoordelen of sprake was van een verdenking jegens de verdachte als omschreven in art. 126m, eerste lid, Sv gemotiveerd met de overweging dat de op het betreffende tijdstip beschikbare CIE-informatie voor het aannemen van een dergelijke verdenking voldoende concreet en betrouwbaar was. Aan de steller van het middel kan worden toegegeven dat het hof niet in expliciete bewoordingen is ingegaan op de vraag of de rechter-commissaris zijn mondelinge machtiging van 30 januari 2009 ook daadwerkelijk op basis van deze informatie heeft genomen. Anders dan de steller van het middel meen ik echter dat het hof hiermee niet in strijd heeft gehandeld met het bepaalde in de tweede volzin van art. 359, tweede lid, Sv. Blijkens de stukken van het geding is op 2 februari 2009 een proces-verbaal opgemaakt ten behoeve van het verkrijgen van een schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris. Daarin is de door het hof als 'CIE-informatie' aangeduide informatie opgenomen. In de overweging van het hof dat de rechter-commissaris uit de betreffende informatie een verdenking jegens de verdachte als omschreven in art. 126m, eerste lid, Sv heeft kunnen afleiden ligt als 's hofs kennelijke oordeel besloten dat deze informatie ten tijde van het afgeven van de mondelinge machtiging voor de rechter-commissaris beschikbaar moet zijn geweest. Gelet op het korte tijdsverloop tussen het afgeven van de mondelinge machtiging (op 30 januari 2009) en het opmaken van het proces-verbaal 2 februari 2009, alsmede gelet op de in dit proces-verbaal vermelde informatie van 3 december 2008 en van 5 en 13 januari 2009 acht ik dit oordeel zonder meer begrijpelijk, zodat het wat betreft de toepassing van het bepaalde in de tweede volzin van art. 359, tweede lid, Sv met een bijzondere redengeving kan worden gelijkgesteld. De tweede klacht faalt daarom eveneens.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c2950a679559baf714f74685a5724e5be2dab678967073167767967057b6473a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c2950a679559baf714f74685a5724e5be2dab678967073167767967057b6473a, en de alinea staat in dat document op bytes 15178 tot 17248.