Citaat | Parket bij de Hoge Raad 2 december 2011
Alinea 68 Parket bij de Hoge Raad 2 december 2011
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 2 december 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BU6591.
Zonnenberg verwerpt in zijn proefschrift de visie van Meijer. Hij is van oordeel dat de betalingsvordering bij een verrekenbeding - anders dan bij het wettelijk deelgenootschap - reeds opeisbaar op het tijdstip genoemd in art. 1:142 lid 1 BW nu in de huidige wet bepalingen als art. 1:137 en 1:145 lid 1 (oud) BW ontbreken. De verrekenverplichting eindigt naar zijn oordeel bij echtscheiding zowel bij periodieke als bij finale verrekenbedingen uiterlijk op het tijdstip van indiening van een echtscheidingsverzoek. Vanaf dat moment (indien geen afwijkend tijdstip is overeengekomen) kan de verrekenplichtige worden verplicht mee te werken aan de vaststelling van de hoogte van het verschuldigde bedrag en de uitbetaling daarvan. Voor de opeisbaarheid is naar zijn oordeel niet nodig dat het huwelijk eindigt (L.H.M. Zonnenberg, Het verrekenbeding (diss. 2009), p. 181-182 en hoofdstuk 6.4).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b260565df03c042214ef7ac8748be41e83e69c2311cb8ad6b4a62d77b6458599. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b260565df03c042214ef7ac8748be41e83e69c2311cb8ad6b4a62d77b6458599, en de alinea staat in dat document op bytes 50541 tot 51445.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/b260565df03c042214ef7ac8748be41e83e69c2311cb8ad6b4a62d77b6458599 | shasum -a 256