Citaat | Parket bij de Hoge Raad 9 december 2011
Alinea 48 Parket bij de Hoge Raad 9 december 2011
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 9 december 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BU7412.
- C.G. Breedveld-de Voogd in haar - in voetnoot 10 vermelde - dissertatie uit 2007. Aan haar visie op de aard van het vormvoorschrift van artikel 7:2, te weten dat het vereiste geschrift een bestanddeel van de tot stand te brengen rechtshandeling (koop en verkoop van een woning) vormt, verbindt Breedveld-de Voogd niet slechts de conclusie dat de sanctie op het niet voldoen aan het vereiste nietigheid is (blz. 49 - 58), maar ook dat er geen ruimte is om die nietigheid te relativeren ten opzichte van de verkoper in geval van een mondelinge overeenkomst op voet van het aanvaarden van een voorovereenkomst of van met de mondelinge instemming van de verkoper opgewekt vertrouwen dat een overeenkomst tot stand zal komen (blz. 67 - 85 e.v.). Het op die gronden toch gebondenheid van de verkoper aanvaarden vormt een ondermijning van het nietigheidsvereiste, dat mede strekt de contractsvrijheid van de verkoper te waarborgen. Intussen neemt Breedveld-de Voogd - mede onder verwijzing naar het Duitse recht - ook voor de hier aan de orde zijnde situatie aan dat de verkoper en koper ten opzichte van elkaar staan in een door de redelijkheid en billijkheid beheerste verhouding als bedoeld in het Baris/Riezenkamp-arrest.((23)) Daarin overweegt de Hoge Raad onder meer: "dat immers partijen, door in onderhandeling te treden over het sluiten van een overeenkomst, tot elkaar komen te staan in een bijzondere, door de goede trouw beheerste, rechtsverhouding, medebrengende, dat zij hun gedrag mede moeten laten bepalen door de gerechtvaardigde belangen van de wederpartij (...)." Die goede trouw ziet Breedveld-de Voogd als een grondslag voor eventuele aansprakelijkheid van de verkoper jegens de koper in de situatie dat er tussen partijen wel al mondeling geheel overeenstemming is bereikt over de koop en verkoop, maar nog niet aan het schriftelijkheidsvereiste is voldaan. Voor het aanvaarden van aansprakelijkheid op die basis ziet zij ruimte wanneer de verkoper op een niet aanvaardbare wijze de koper belemmert van zijn contractsvrijheid gebruik te maken. Dat kan het geval zijn wanneer hij, al dan niet opzettelijk de koper in de waan brengt of laat dat deze reeds is gebonden op grond van zijn woord. Dan kan er een gehoudenheid tot vergoeding van schade zijn. Of er vergoed moet worden op de voet van het negatieve of positieve contractsbelang, hangt af van de wijze waarop de verkoper de koper in zijn contractsvrijheid heeft geschaad. In geval van arglist zal hij de koper dienen te brengen in de situatie, waarin deze zou verkeren als het vormvoorschrift wel zou zijn nagekomen. Zie blz. 91- 95.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/73a2fc00c122d7ee2d151d4ee6d487e047b8ddb5413c32ff9dc87cc69785ffc7. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 73a2fc00c122d7ee2d151d4ee6d487e047b8ddb5413c32ff9dc87cc69785ffc7, en de alinea staat in dat document op bytes 36630 tot 39249.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/73a2fc00c122d7ee2d151d4ee6d487e047b8ddb5413c32ff9dc87cc69785ffc7 | shasum -a 256