Citaat | Parket bij de Hoge Raad 9 december 2011
Alinea 57 Parket bij de Hoge Raad 9 december 2011
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 9 december 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BU7412.
2.17 Het hiervoor in 2.16 gestelde sluit aan bij de beoordeling in 2003 door de Hoge Raad van het geval dat een man zich voor de scheiding en deling van de huwelijksgemeenschap na echtscheiding anders dan bij helfte beroept op onder meer een mondelinge toezegging van de vrouw vóór de huwelijkssluiting mee te zullen werken aan het opstellen van huwelijkse voorwaarden.((28)) Op zichzelf wordt een andere verdeling anders dan bij helfte zonder dat daarvoor een basis in huwelijkse voorwaarden is te vinden niet uitgesloten geacht, maar dat kan toch niet dan in zeer uitzonderlijke gevallen worden aangenomen. De toezegging van de vrouw levert niet een dergelijk uitzonderlijk geval op, ook niet in samenhang met de andere door de man gestelde omstandigheden zoals dat op aandrang van de vrouw met het sluiten van het huwelijk spoed is betracht, aldus de Hoge Raad. De Hoge Raad neemt daarbij mede in aanmerking dat de door artikel 1:115 BW voor het aangaan van huwelijkse voorwaarden op straffe van nietigheid voorgeschreven notariële tussenkomst mede tot bescherming van beide partijen strekt.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/73a2fc00c122d7ee2d151d4ee6d487e047b8ddb5413c32ff9dc87cc69785ffc7. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 73a2fc00c122d7ee2d151d4ee6d487e047b8ddb5413c32ff9dc87cc69785ffc7, en de alinea staat in dat document op bytes 47384 tot 48494.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/73a2fc00c122d7ee2d151d4ee6d487e047b8ddb5413c32ff9dc87cc69785ffc7 | shasum -a 256