Citaat | Parket bij de Hoge Raad 30 december 2011

Onder 10.10 Parket bij de Hoge Raad 30 december 2011

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 30 december 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BV7227.

Bij de reparatie van het aanmerkelijk-belangregime in de inkomstenbelasting (zie 5.7 en 5.8 hierboven) heeft de Tweede Kamer de vraag gesteld of niet ook art. 4 Wet BVR op dezelfde wijze moest worden gerepareerd. De toenmalige Staatssecretaris van Financiën verklaarde (zie 5.9) dat daartoe geen noodzaak bestond en dat het bij de toepassing van art. 4 Wet BVR "geen verschil [maakt] of het om preferente of gewone aandelen gaat. Voor beide soorten aandelen geldt dat de waarde wordt vastgesteld naar rato van het aandeel in het nominaal gestorte kapitaal." De Tweede Kamer heeft het daarbij gelaten. Ik meen dat de wetgever daarmee voor de toepassing van art. 4 Wet BVR de plaatsing van - al dan niet cumulatief - preferente aandelen heeft aanvaard als niet-gekunsteld bij de vermijding van het verschuldigd worden van overdrachtsbelasting op de overdracht van aandelen in een fictieve onroerende zaak. Art. 4 Wet BRV is pas met ingang van 1 januari 2008 zodanig aangepast dat niet het aandelenbezit, maar het 'belang' beslissend werd.(50)

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/543fdddb380a9cdb842af89e029aa8ffa767a9897786b081d4ec0076e2331cbd. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 543fdddb380a9cdb842af89e029aa8ffa767a9897786b081d4ec0076e2331cbd, en de alinea staat in dat document op bytes 87386 tot 88440.