Citaat | Parket bij de Hoge Raad 27 maart 2012
Alinea 39 Parket bij de Hoge Raad 27 maart 2012
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 27 maart 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BT2105.
Dit verweer wordt verworpen. Naar het oordeel van het hof heeft het openbaar ministerie niet gehandeld in strijd met de richtlijn Premierfraude Werkgevers en/of de beginselen van een goede procesorde. Hieromtrent wordt het volgende overwogen. Aanvankelijk bestond het beeld dat bij [A] B.V. sprake was van onrechtmatigheden in de inhouding van premies sociale verzekering, en wel voor bedragen die vervolging rechtvaardigden. In het selectieoverleg is derhalve terecht geopereerd op basis van de criteria in de destijds van toepassing zijnde richtlijn Premiefraude Werkgevers. Daaraan doet niet af dat achteraf wordt vastgesteld dat, mede vanwege het bepaalde in de Koppelingswet, verplichtingen tot inhouding en afdracht van premies door de werkgever niet van kracht zijn. In zoverre wil het hof bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn vervolging de voornoemde richtlijn in zijn beschouwingen betrekken. Deze richtlijn laat, evenals het kader voor strafvordering, de mogelijkheid open dat in individuele gevallen met een uitzonderlijk karakter van de richtlijn kan worden afgeweken. Anders dan de verdediging leest het hof niet in de richtlijn dat het uitzonderlijke karakter van een geval reeds voorafgaande aan het onderzoek moet zijn vastgesteld. Weliswaar is het wenselijk dat al in het proces verbaal duidelijk kenbaar is dat en waarom van een bijzonder geval sprake is, maar dat sluit niet uit dat ook ter terechtzitting het uitzonderlijke karakter van het individuele geval nog door het openbaar ministerie kan worden onderbouwd. In de onderhavige zaak, waarbij het vermoeden bestond dat sprake was van stelselmatige concurrentievervalsing op grote schaal, persoonlijk voordeel en verstoring van de arbeidsmarkt, was vervolging gerechtvaardigd binnen het stelsel van de vigerende richtlijnen. Voorts overweegt het hof dat de ambtenaren van de SIOD die in deze zaak het onderzoek hebben verricht, allen opsporingsambtenaar zijn in de zin van artikel 127 van het Wetboek van Strafvordering, zij hadden ook ter zake van valsheid in geschrift opsporingsbevoegdheid. De verdachte had er geen enkel belang bij dat het onderzoek destijds door de ambtenaren van de SIOD werd overgedragen aan andere opsporingsambtenaren. Het door de raadsman aangevoerde leidt derhalve niet tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Evenmin is er grond voor bewijsuitsluiting."
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ca5ae825bf0c0413d1d88167f4f2070f1410c1af9dbc3438813b407e610e7a90. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ca5ae825bf0c0413d1d88167f4f2070f1410c1af9dbc3438813b407e610e7a90, en de alinea staat in dat document op bytes 20351 tot 22779.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/ca5ae825bf0c0413d1d88167f4f2070f1410c1af9dbc3438813b407e610e7a90 | shasum -a 256