Citaat | Parket bij de Hoge Raad 6 maart 2012

Alinea 22 Parket bij de Hoge Raad 6 maart 2012

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 6 maart 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BT6458.

9. De in mijn ogen te vergaande relativering van het vereiste bewijsminimum door het hof lijkt in deze zaak geen noodzakelijk voorwaarde om tot het bewijs te kunnen komen. Dat de door de aangever gereleveerde feiten en omstandigheden niet op zichzelf staan, is voldoende duidelijk. De verdachte is in die feiten en omstandigheden niet een willekeurige buitenstaander. In de bewijsmiddelen is bovendien een verdere ondersteuning voor daderschap van de verdachte te vinden. Het hof wijst daar in de overwegingen voorafgaand aan de hiervoor besproken opvatting zelf ook op, zij het niet nadrukkelijk in relatie tot deze verdachte maar tot "de verdachten". Het gaat voor wat deze verdachte betreft niet zozeer om de onderdelen die staven dat de vrijheidsberoving heeft plaatsgevonden, maar om de vraag of een specifieke relatie met hem wordt ondersteund. In dat verband kan betekenis worden gehecht aan de aan verdachten te linken telefoonnummers. In de aanvulling op het verkorte arrest blijkt uit de bewijsmiddelen 12 t/m 15, gelezen in verband met bewijsmiddel 1, dat het slachtoffer kort voor de vrijheidsberoving met een op andere tijdstippen door deze verdachte gebruikt telefoonnummer is gebeld. Kort voor de vrijheidsberoving maakte de broer van verdachte (onder meer) van dat telefoonnummer gebruik, gezien de verklaring van het slachtoffer dat hij op de in de printlijst vastgelegde tijdstippen door [medeverdachte 1], een van de broers van verdachte, meermalen was gebeld. Uit het feit dat de broer van verdachte belde met een door verdachte op andere tijdstippen gebruikt mobiel telefoonnummer kan enige ondersteuning voor concrete betrokkenheid van verdachte bij de ontvoering worden afgeleid. Dat is niet veel, maar wel iets. Verdachte kan aldus materieel gerelateerd worden aan de mededaders, niet alleen omdat het zijn broers zijn en de aangever hem als een van de daders aanwijst. Aldus begrepen berust het bewijs van daderschap niet op één bewijsmiddel en is er overigens slechts sprake van een ongelukkig geformuleerde voor de bewijsvoering overbodige opvatting.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bd27ffa0b0ec7e3d9243af496d721947f7239858830c901970d48ed0c6d659d3. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bd27ffa0b0ec7e3d9243af496d721947f7239858830c901970d48ed0c6d659d3, en de alinea staat in dat document op bytes 12671 tot 14764.