Citaat | Parket bij de Hoge Raad 3 februari 2012
Alinea 166 Parket bij de Hoge Raad 3 februari 2012
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 3 februari 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BT6947.
2.38 Onderdeel 4.1 klaagt dat de rechtbank heeft miskend dat indien in een akte die strekt tot verpanding van een of meer vorderingen, de naam van de pandgever(s) van die vorderingen niet is (zijn) opgenomen, de vorderingen niet met voldoende bepaaldheid zijn omschreven in de zin van art. 3:84 lid 2 jo. 3:98 BW. In het licht van mijn beschouwingen onder 2.9-2.12 faalt ook deze rechtsklacht. Het onderdeel verzet zich immers tegen een generieke vermelding van de vorderingen en daarmee tegen de rechtspraak met betrekking tot het vereiste van bepaalbaarheid dat de Hoge Raad heeft ontwikkeld in zijn door mij vermelde rechtspraak. Dat ING uit deze jurisprudentie de uiterste consequentie heeft getrokken, valt niet te ontkennen. Ik meen dat de verzamelpandakte niet los te zien is van de onderliggende bescheiden en dat daaruit met voldoende mate van zekerheid valt af te leiden welke vorderingen door wie aan ING zijn verpand.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/372bacc72fa86870408e99f0365eefd4b7d07c13a94201cd409723f1cd3b3717. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 372bacc72fa86870408e99f0365eefd4b7d07c13a94201cd409723f1cd3b3717, en de alinea staat in dat document op bytes 89016 tot 89958.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/372bacc72fa86870408e99f0365eefd4b7d07c13a94201cd409723f1cd3b3717 | shasum -a 256