Citaat | Parket bij de Hoge Raad 17 januari 2012

Alinea 101 Parket bij de Hoge Raad 17 januari 2012

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 17 januari 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BU2046.

Uit beide passages blijkt dat een gegrond beklag over onrechtmatige kennisneming van gegevens er volgens de minister van Justitie toe leidt, dat "justitie" die gegevens niet mag gebruiken. Dat geldt ook als die gegevens relevant zijn voor het onderzoek. De gegrondverklaring van het beklag zal immers effect kunnen hebben op de bewijsvoering ter zitting. Tegelijk stelt de minister dat de beklagprocedure vóór die bewijsvoering ter zitting moet zijn afgerond. Die niet nader uitgewerkte stelling roept tal van vragen op. Ik noem er enkele. (1) Hoe moet worden bereikt dat de beklagprocedure tijdig is afgerond? Moet het onderzoek ter zitting daartoe worden aangehouden? (2) Wat moet de beslissing in de beklagprocedure zijn als van een tijdige afronding geen sprake is (bijvoorbeeld doordat beroep in cassatie is ingesteld)? (3) Wanneer begint de "bewijsvoering ter zitting"? Is dat bij het uitroepen van de zaak of al bij het aanhangig maken ervan? (4) Is de consequentie van een tijdige afronding inderdaad dat de gewraakte gegevens uit het dossier moeten worden verwijderd, ook in gevallen waarin daarvan gebruik is gemaakt in het vooronderzoek (bijvoorbeeld doordat de gegevens ten grondslag zijn gelegd aan een bevel tot bewaring)? In de wetsgeschiedenis van de Wet computercriminaliteit zoekt men tevergeefs naar een antwoord op deze vragen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0bda1caa281b28185b28844445db0ef66351681f17ce3d25ef1797111dbce107. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0bda1caa281b28185b28844445db0ef66351681f17ce3d25ef1797111dbce107, en de alinea staat in dat document op bytes 48519 tot 49881.