Citaat | Parket bij de Hoge Raad 24 januari 2012

Alinea 12 Parket bij de Hoge Raad 24 januari 2012

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 24 januari 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BU2064.

3.3. De steller van het middel snijdt een punt aan dat het waard is om iets langer bij stil te staan. Is de kwestie van de onwenselijk lange duur van de teruglevering, dat wil zeggen de tijdspanne die is gelegen tussen het onherroepelijk worden van het veroordelend vonnis van het Landgericht Karslruhe en het moment van de daadwerkelijke overbrenging van Duitsland naar Nederland, vergelijkbaar met een overschrijding van de redelijke termijn waartegen artikel 6, eerste lid EVRM bescherming biedt? Een positief antwoord op deze vraag ligt als veronderstelling besloten in het beroep dat de steller van het middel doet op het reeds genoemde arrest van 17 juni 2008, waarin Uw Raad richtsnoeren gaf voor de beoordeling van redelijke-termijnkwesties. Ik meen echter dat de periode van de teruglevering in Wots-procedures de in het middel voorgestane vergelijking met de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn van artikel 6, eerste lid EVRM niet kan doorstaan. Daardoor faalt het middel. Ik zal dat onderbouwen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/04cd3a32b833b4db2f1345ac060e9bf5da5dba160b9fb22767d92dfc01195fa8. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 04cd3a32b833b4db2f1345ac060e9bf5da5dba160b9fb22767d92dfc01195fa8, en de alinea staat in dat document op bytes 7340 tot 8366.