Citaat | Parket bij de Hoge Raad 24 januari 2012

Alinea 22 Parket bij de Hoge Raad 24 januari 2012

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 24 januari 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BU2064.

3.8. Ik zie evenwel nog een belangrijk punt. Uit de uitspraken van de Hoge Raad die ik hierboven heb aangehaald vloeit m.i. voort dat artikel 6, eerste lid EVRM voor wat betreft Nederland hooguit de procedure die aanvangt met de indiening van de vordering tot tenuitvoerlegging normeert. In de aangehaalde zaken werd immers expliciet alleen het Nederlandse deel van de Wots-procedure aan een onderzoek onderworpen. Dat ligt m.i. ook voor de hand, aangezien voor de periode voorafgaande aan de overbrenging niet de Nederlandse vervolgende autoriteiten, maar de buitenlandse autoriteiten verantwoordelijk zijn. In beginsel kan de duur van die tijdspanne (vrijwel) niet door de Nederlandse justitie worden beïnvloed. Het gaat dan ook niet aan om het eventuele talmen van buitenlandse autoriteiten toe te rekenen aan de Nederlandse autoriteiten.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/04cd3a32b833b4db2f1345ac060e9bf5da5dba160b9fb22767d92dfc01195fa8. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 04cd3a32b833b4db2f1345ac060e9bf5da5dba160b9fb22767d92dfc01195fa8, en de alinea staat in dat document op bytes 14629 tot 15484.