Citaat | Parket bij de Hoge Raad 14 februari 2012

Alinea 41 Parket bij de Hoge Raad 14 februari 2012

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 14 februari 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BU2903.

"34. De vraag die daarbij vervolgens dient te worden beantwoord is wat de consequentie van het aangetoonde vormverzuim moet zijn (ex art. 359a, tweede lid Sv). Volgens de verdediging dient de consequentie in dezen te zijn bewijsuitsluiting. Volgens de Hoge Raad kan bewijsuitsluiting uitsluitend aan de orde komen indien het bewijsmateriaal door het verzuim is verkregen, en komt die uitsluiting in aanmerking indien door de onrechtmatige bewijsgaring een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden (zie bv. HR 29 mei 2007, LJN AZ8795). Om bewijsmateriaal uit te sluiten, dient het te zijn verkregen als rechtstreeks resultaat van de opsporingshandelingen waarbij het vormverzuim is begaan. Zie HR 5 april 2005, NJ 2005, 300 en HR 17 januari 2006, NJ 2006, 495.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f9006b5959869a81abd8e21483b3d775548713d31041d621a4982629e57a7331. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f9006b5959869a81abd8e21483b3d775548713d31041d621a4982629e57a7331, en de alinea staat in dat document op bytes 15732 tot 16557.